Deze bestuursrechtelijke zaak betreft het beroep van eiseressen tegen de door het college verleende revisievergunning voor een biogasinstallatie die mest en co-substraten vergist en de verwerkingscapaciteit uitbreidt van 36.000 naar 50.000 ton per jaar.
Eiseressen voerden meerdere beroepsgronden aan, waaronder het ontbreken van een afzonderlijk m.e.r.-beoordelingsbesluit, strijd met de aanhaakplicht voor natuurvergunningen, vermeende strijd met het bestemmingsplan, onduidelijkheid over toegestane co-substraten, en gebreken in diverse vergunningvoorschriften. De rechtbank constateerde formele gebreken bij het ontbreken van een m.e.r.-beoordelingsbesluit en de ontkoppeling van de natuurvergunning, maar oordeelde dat deze gebreken niet tot benadeling van belanghebbenden hebben geleid en derhalve konden worden gepasseerd.
De rechtbank stelde vast dat de inrichting binnen het bestemmingsplan past, dat de co-substraten adequaat zijn omschreven en dat de voorschriften, waaronder die over geurmetingen en affakkeling, voldoen aan de relevante BBT-conclusies en wettelijke eisen. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard.
Wel werd het college veroordeeld tot vergoeding van het griffierecht en proceskosten aan eiseressen wegens de geconstateerde formele gebreken. De uitspraak werd gedaan door een meervoudige kamer van de Rechtbank Den Haag op 22 april 2026.