Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:9185

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
14 april 2026
Publicatiedatum
16 april 2026
Zaaknummer
NL25.1982
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 64 VwArt. 3 EVRMArt. 5 Richtlijn 2008/115/EGArt. 4 EU HandvestArt. 19 lid 2 EU Handvest
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging besluit afwijzing uitstel van vertrek wegens onvoldoende refoulementonderzoek

Eiseres heeft een aanvraag ingediend voor uitstel van vertrek op grond van artikel 64 van Pro de Vreemdelingenwet 2000, nadat haar asielaanvraag was afgewezen en een terugkeerbesluit naar Soedan, Ethiopië of Eritrea was opgelegd. De minister wees het verzoek af, stellende dat eiseres haar identiteit en nationaliteit niet aannemelijk had gemaakt en dat de medische behandeling in het land van herkomst beschikbaar zou zijn.

De rechtbank oordeelt dat de minister niet heeft voldaan aan zijn onderzoeksplicht in het kader van de refoulementbeoordeling. De minister had moeten nagaan of de noodzakelijke medische behandeling voor eiseres beschikbaar is in de genoemde landen, ongeacht de vaststelling van haar identiteit of nationaliteit. Dit volgt uit het arrest Ararat van het HvJ EU en eerdere uitspraken van de Afdeling Bestuursrechtspraak.

De rechtbank vernietigt het bestreden besluit wegens onvoldoende motivering en onzorgvuldigheid. De minister wordt opgedragen binnen zes weken een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak. Eiseres krijgt een proceskostenvergoeding van €1.868,- toegewezen.

Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het besluit van de minister wordt vernietigd wegens onvoldoende onderzoek naar het risico op refoulement en medische behandeling.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.1982
V-nummer: [v nummer]

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , uit [plaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. A. Berends),
en

de minister van Asiel en Migratie, de minister

(gemachtigde: mr. T. Stelpstra).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiseres voor uitstel van vertrek op grond van artikel 64 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Eiseres is het niet eens met de afwijzing van de aanvraag. Aan de hand van de beroepsgronden van eiseres beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de minister niet heeft voldaan aan zijn onderzoekersplicht in het kader van de refoulementbeoordeling
.Eiseres krijgt dus gelijk en het beroep is gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Met het besluit van 17 februari 2021 heeft de minister de aanvraag van eiseres tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel afgewezen en eiseres een terugkeerbesluit naar Soedan, Ethiopië of Eritrea opgelegd.
2.1.
Bij uitspraak van 23 april 2021 heeft deze rechtbank, zittingsplaats Groningen, het daartegen door eiseres ingestelde beroep ongegrond verklaard. [1] Bij uitspraak van
11 juni 2021 heeft de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) de uitspraak van de rechtbank bevestigd. [2]
2.2.
Eiseres heeft op 29 februari 2024 een aanvraag ingediend voor uitstel van vertrek op grond van artikel 64 van Pro de Vw. De minister heeft de aanvraag met het besluit van
17 april 2024 afgewezen. Met het bestreden besluit van 17 december 2024 op het bezwaar van eiseres is de minister bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
2.3.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.4.
Eiseres is wegens betalingsonmacht vrijgesteld van de verplichting om griffierecht te betalen.
2.5.
De rechtbank heeft het beroep op 6 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres, M.Y. Abdi als tolk en de gemachtigde van de minister.

Beoordeling door de rechtbank

Het bestreden besluit
3. De minister heeft het verzoek van eiseres om uitstel van vertrek op basis van artikel 64 van Pro de Vw afgewezen op grond van het BMA [3] -advies van 9 april 2024. Uit het BMA-advies volgt dat bij uitblijven van de HIV-behandeling een medische noodsituatie op enige termijn wordt verwacht. Het standpunt van de minister komt er kort gezegd op neer dat eiseres bij terugkeer geen reëel risico loopt op een situatie in strijd met artikel 3 van Pro het EVRM [4] om medische redenen, omdat eiseres haar nationaliteit en identiteit niet heeft aangetoond. De minister mag in zo’n geval op grond van het beleid [5] ervan uitgaan dat de medische behandeling van eiseres in haar land van herkomst aanwezig is. De minister heeft het op 17 februari 2021 tegen eiseres uitgevaardigde terugkeerbesluit dan ook gehandhaafd. Dit betekent dat eiseres moet terugkeren naar Soedan, Ethiopië of Eritrea.
Terugkeerbesluit en refoulementbeoordeling
4. Tussen partijen is niet in geschil dat eiseres bij het achterwege blijven van een medische behandeling op korte termijn in een medische noodsituatie terecht zal komen. De rechtbank beoordeelt in deze zaak of de minister een refoulementbeoordeling had moeten maken naar aanleiding van het verzoek van eiseres om uitstel van vertrek op grond van artikel 64 van Pro de Vw.
Standpunten partijen
5. Eiseres voert aan dat de minister ten onrechte niet heeft onderzocht of in de drie landen die in het terugkeerbesluit worden genoemd de door haar benodigde medische behandeling beschikbaar is. De minister had volgens eiseres de landgebonden vragen in het kader van het onderzoek van het BMA niet achterwege kunnen laten. In alle fasen van de terugkeerprocedure moet volgens het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ EU) [6] en de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) [7] het beginsel van non-refoulement geëerbiedigd worden, waaronder het risico bij terugkeer vanwege medische omstandigheden. Ook heeft eiseres altijd gesteld de Eritrese nationaliteit te hebben en uit ambtsberichten volgt dat het moeilijk is om identificeerde documenten op te vragen bij de Eritrese autoriteiten.
5.1.
De minister stelt zich op het standpunt dat in rechte is komen vast te staan dat eiseres haar gestelde Eritrese nationaliteit niet aannemelijk heeft gemaakt en dat zij dit tot op heden ook niet heeft gedaan. Een refoulementsbeoordeling kan gelet op de uitspraak van de Afdeling van 8 mei 2024 [8] achterwege blijven nu nog niet is komen vaststaan dat de eiseres de nationaliteit van één van de drie landen (Soedan, Ethiopië of Eritrea) heeft. Het is aan eiseres om aannemelijk te maken dat zij te vrezen heeft voor refoulement in haar land van herkomst. Dat geen onderzoek is gedaan naar de behandelmogelijkheden is in lijn met het beleid. [9]
Toetsingskader
6. Een vreemdeling die geen rechtmatig verblijf heeft in Nederland, dient Nederland te verlaten. Wanneer een vreemdeling Nederland niet uit eigen beweging heeft verlaten, kan hij worden uitgezet. [10] Uit artikel 64 van Pro de Vw volgt dat uitzetting achterwege blijft zolang het gelet op de gezondheidstoestand van de vreemdeling niet verantwoord is om te reizen. De minister heeft zijn beleid naar aanleiding van deze wettelijke bepaling neergelegd in paragraaf A3/7 van de Vc. Daaruit volgt dat de minister uitstel van vertrek verleent op grond van artikel 64 van Pro de Vw als een vreemdeling medisch gezien niet in staat is om te reizen of een reëel risico bestaat op schending van artikel 3 van Pro het EVRM om medische redenen. Artikel 3 van Pro het EVRM bepaalt dat iemand niet mag worden uitgezet naar een land waar hij gevaar loopt of een onmenselijke behandeling te vrezen heeft (non-refoulement).
6.1.
De Afdeling heeft in haar uitspraak van 2 september 2025 overwogen dat uit het arrest Ararat volgt dat de minister op grond van artikel 5 van Pro richtlijn 2008/115/EG (de Terugkeerrichtlijn), gelezen in het licht van artikel 4 en Pro artikel 19, tweede lid, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (EU Handvest), de plicht heeft een onderzoek te verrichten waarbij de minister – op grond van wat door een vreemdeling is aangevoerd, de gegevens uit het dossier én op grond van (algemene) informatie over het land van herkomst – zich er van moet vergewissen dat de betrokken derdelander bij terugkeer naar zijn land van herkomst geen reëel risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 4 van Pro het EU Handvest. Daarbij moet het gaan om een geactualiseerde beoordeling van het risico op refoulement. [11] In de uitspraak van 18 december 2025 [12] heeft Afdeling geoordeeld dat de verplichting om een refoulementbeoordeling te maken niet beperkt is tot de gevallen waarin een vreemdeling eerder een asielprocedure heeft doorlopen. Uit het arrest Ararat [13] volgt namelijk dat de minister op grond van artikel 5 van Pro de Terugkeerrichtlijn in alle fasen van de terugkeerprocedure met het beginsel van non-refoulement rekening moet houden.
Refoulement
7. De rechtbank is van oordeel dat de minister het risico op refoulement ten onrechte niet nader heeft onderzocht door na te gaan of de door eiseres benodigde medische behandeling beschikbaar is in de landen die in het terugkeerbesluit worden genoemd. Het standpunt van de minister dat eerst moet worden vastgesteld welke identiteit en nationaliteit eiseres heeft, zodat kan worden vastgesteld naar welk land eiseres daadwerkelijk zou moeten terugkeren alvorens een refoulementbeoordeling moet wordt gemaakt, kan gelet op het arrest Ararat geen standhouden. De kern van dit arrest is juist dat de minister in alle fasen van de terugkeerprocedure het beginsel van non-refoulement moet eerbiedigen. Hieruit vloeit voort dat de minister niet mag wachten met zijn onderzoek naar de beschikbaarheid van de voor eiseres noodzakelijke medische behandeling in de landen die hij in het terugkeerbesluit heeft opgenomen, totdat duidelijk is geworden wat het land van herkomst van eiseres is. De gemachtigde van de minister heeft op zitting niet bestreden dat het praktisch niet onmogelijk is voor de minister om te onderzoeken of de voor eiseres noodzakelijke medische behandelingen beschikbaar zijn in de drie genoemde landen van het terugkeerbesluit. De identiteit en nationaliteit van eiseres zijn daarvoor ook niet van belang.
7.1.
Het voorgaande betekent dat de minister had moeten onderzoeken of de voor eiseres noodzakelijke medische behandeling in Soedan, Ethiopië of Eritrea beschikbaar is. [14] Het bestreden besluit is dan ook onvoldoende gemotiveerd en onzorgvuldig tot stand gekomen.
7.2.
De rechtbank is bovendien van oordeel dat de onderzoeksplicht van de minister in het kader van de refoulementbeoordeling met zich meebrengt dat de minister, voor zover redelijkerwijs mogelijk, onderzoek doet naar het land van herkomst van eiseres. Hierbij kan de minister denken aan het presenteren van eiseres aan het consulaat van de betreffende landen of het uitvoeren van een taalanalyse zoals voorgesteld door eiseres.

Conclusie en gevolgen

8. Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit onvoldoende is gemotiveerd en onvoldoende zorgvuldig tot stand gekomen. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit.
8.1.
De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht dat de minister een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank geeft de minister hiervoor zes weken.
8.2.
Omdat eiseres geen griffierecht heeft betaald, hoeft de minister geen griffierecht aan haar te vergoeden. Omdat het beroep gegrond is krijgt eiseres een vergoeding van haar proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eiseres een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- draagt de minister op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;
- veroordeelt de minister tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiseres.
Deze uitspraak is gedaan door mr. P.L.C.M. Ficq, rechter, in aanwezigheid van
mr.G. dos Santos 't Hoen, griffier.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Zie de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Groningen, van 23 april 2021, zaaknummer NL21.4054.
2.Zie de uitspraak van de Afdeling van 11 juni 2021, zaaknummer 202103289/2/V1.
3.Het Bureau Medische Advisering.
4.Verdrag tot Bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden.
5.Paragraaf A3/7.2.6 van de Vc.
6.het arrest FMS (HvJEU 14 mei 2020, ECLI:EU:C:2020:367) als uit M e.a. (24 februari
7.Zie de uitspraak van de Afdeling van 2 september 2025, ECLI:NL:RVS:2025:4178.
8.Zie de uitspraak van de Afdeling van 8 mei 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1970.
9.Paragraaf A3/7.2.6 van de Vc.
10.Artikel 63 van Pro de Vw.
11.Zie de uitspraak van de Afdeling van 2 september 2025, ECLI:NL:RVS:2025:4178.
12.Zie de uitspraak van de Afdeling van 18 december 2025, ECLI:NL:RVS:2025:6114.
13.Zie het arrest van het HvJ EU van 17 oktober 2024, C-156/23, ECLI:EU:C:2024:892 (Ararat).
14.Paragraaf A3/7.1.3 van de Vc.