Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:9201

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
10 april 2026
Publicatiedatum
16 april 2026
Zaaknummer
NL25.30247 en NL24.38607
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening+bodemzaak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 64 Vreemdelingenwet 2000Art. 8:81 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verlenging verblijfsvergunning medische behandeling wegens openbare orde

Eiseres, een Nigeriaanse vrouw, vroeg verlenging van haar verblijfsvergunning regulier met als doel medische behandeling. Verweerder wees dit af vanwege een gevangenisstraf van twaalf maanden wegens medeplegen van het vervoeren van cocaïne, wat een ernstige bedreiging voor de openbare orde vormt.

De rechtbank toetste ex tunc of verweerder terecht de aanvraag had afgewezen. Hoewel eiseres positieve gedragingen na detentie vertoonde, was de periode te kort om van een bestendige gedragsverandering te spreken. Verweerder had een zorgvuldige belangenafweging gemaakt en de ernst van het delict meegewogen.

Eiseres voerde aan dat zij geen gevaar meer vormde en verwees naar persoonlijke omstandigheden en eerdere jurisprudentie, maar de rechtbank vond deze niet doorslaggevend. Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen.

Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de verlenging van de verblijfsvergunning wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
Zaaknummers: NL25.30247 (beroep) en NL24.38607 (voorlopige voorziening)
V-nummer: [V-nummer]
uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen

[eiseres] , eiseres

(gemachtigde: mr. M.L. van Leer),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. M. Marks).

Samenvatting

1.1.
Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiseres voor verlenging van haar verblijfsvergunning regulier met als verblijfsdoel ‘medische behandeling’. Eiseres is het niet eens met de afwijzing van haar aanvraag. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank/de voorzieningenrechter (hierna: de rechtbank) de afwijzing van de aanvraag.
1.2.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Eiseres krijgt dus geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2.1.
Eiseres is geboren op [geboortedag] 1977 en heeft de Nigeriaanse nationaliteit. Eiseres is van 31 mei 2020 tot 31 mei 2021 in het bezit geweest van een verblijfsvergunning regulier, met als verblijfsdoel ‘medische behandeling’. De geldigheidsduur is verlengd van
26 juli 2023 tot 26 juli 2024. Eiseres heeft op 19 juli 2024 opnieuw een aanvraag ingediend voor verlenging van de geldigheidsduur.
2.2.
Met het primaire besluit van 5 september 2024 heeft verweerder deze aanvraag afgewezen. Aan eiseres is wel uitstel van vertrek verleend op grond van artikel 64 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Eiseres heeft bezwaar gemaakt tegen het primaire besluit en een verzoek ingediend tot het treffen van een voorlopige voorziening.
2.3.
Met het bestreden besluit van 10 juni 2025 heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard en is verweerder bij de afwijzing van de aanvraag gebleven. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat Nederland voor eiseres wel het meest aangewezen land is voor het ondergaan van de medische behandeling, maar dat eiseres niet voldoet aan alle algemene voorwaarden voor een verblijfsvergunning regulier. Zij is namelijk veroordeeld tot een gevangenisstraf van twaalf maanden, wegens het plegen van een misdrijf. Een gevangenisstraf van één dag is dan al voldoende om de aanvraag om verlenging van een verblijfsvergunning af te wijzen op grond van de openbare orde. Verweerder heeft een belangenafweging gemaakt en getoetst of het tegenwerpen van de openbare orde in het geval van eiseres evenredig is. Volgens verweerder is dat het geval. Eiseres blijft een potentieel gevaar voor de samenleving, gezien de ernst en de aard van het gepleegde delict. Hoewel haar gedragingen na de veroordeling positief zijn, is het volgens verweerder een te korte periode sinds het onherroepelijk worden van de zaak om te kunnen spreken van een bestendige positieve gedragsverandering.
2.4.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Omdat op het bezwaar is beslist voordat het verzoek om een voorlopige voorziening op zitting is behandeld, wordt het verzoek gelijkgesteld met een verzoek om een voorlopige voorziening hangende beroep. [1] Verweerder heeft gereageerd met een verweerschrift.
2.5.
De rechtbank heeft het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening op 11 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben eiseres, K. Blom als tolk in de Engelse taal, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van verweerder deelgenomen.

Beoordeling door de rechtbank

3.1.
De rechtbank beoordeelt of verweerder de aanvraag van eiseres voor verlenging van haar verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking ‘medische behandeling’ terecht heeft afgewezen.
3.2.
Eiseres voert aan dat verweerder in de belangenafweging onvoldoende is ingegaan op haar persoonlijke omstandigheden. Zij vormt geen gevaar meer voor de openbare orde. Het strafbare feit was acht jaar geleden en er is geen sprake van recidive. Ten tijde van het plegen van het feit was eiseres zeer kwetsbaar. Eiseres heeft veel spijt van het plegen van het strafbare feit. Zij heeft zich in detentie goed gedragen en heeft inmiddels meerdere diploma’s behaald. Zij doet haar best om haar leven in Nederland weer op te bouwen en hoopt een eigen onderneming te kunnen opzetten. Om dat te bewerkstelligen, werkt zij nu zes dagen per week 10 tot 12 uur per dag in een Afrikaanse toko. Zij krijgt daarvoor niet betaald, maar het is de bedoeling dat zij deze zaak gaat overnemen.
3.3.
De rechtbank stelt voorop dat zij deze zaak ex tunc moet toetsen. Dat betekent dat de rechtbank beoordeelt of verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat eiseres ten tijde van het bestreden besluit een actuele, werkelijke en voldoende ernstige bedreiging voor een fundamenteel belang van de samenleving vormt.
3.4.
Uit de rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
(de Afdeling) [2] en het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof) [3] , volgt dat verweerder bij zijn beoordeling alle feitelijke en juridische gegevens moet betrekken, die zien op de situatie van de vreemdeling in relatie met het door hem of haar gepleegde strafbare feit. Hieronder valt onder meer de aard en ernst van het strafbare feit, de omstandigheden waaronder dat feit is gepleegd en het tijdsverloop sinds het plegen daarvan. Verweerder mag zich niet enkel baseren op een strafrechtelijke veroordeling, een algemene praktijk of een vermoeden. Hoe verweerder invulling geeft aan het Unierechtelijk openbare orde-criterium is uiteengezet in Werkinstructie 2022/12. Tot slot zijn de Richtsnoeren van de Europese Commissie bij de Verblijfsrichtlijn van belang. [4]
3.5.
De rechtbank is van oordeel dat verweerder voldoende en op goede gronden heeft gemotiveerd waarom het weigeren van de voortzetting van het verblijf aan eiseres wegens de openbare orde evenredig is. Verweerder heeft in de belangenafweging voldoende gemotiveerd dat eiseres een ernstig delict heeft gepleegd. Zij heeft zich schuldig gemaakt aan het medeplegen van het vervoeren van cocaïne en is daarvoor veroordeeld tot een gevangenisstraf van twaalf maanden. Verweerder heeft voldoende gemotiveerd en terecht in de belangenafweging meegenomen dat dit soort delicten een ernstige bedreiging voor de volksgezondheid vormen, onrust in de samenleving veroorzaken en veelal leiden tot diverse vormen van criminaliteit.
3.6.
De rechtbank volgt verweerder in het standpunt dat wel sprake is van de positieve gedragingen van eiseres, maar dat de periode te kort is om nu al te kunnen spreken van een bestendige positieve gedragsverandering. Uit het dossier blijkt weliswaar dat de gedragingen van eiseres na het herroepelijk worden van de uitspraak op 21 januari 2024 niet negatief zijn gebleken, maar het gaat dan vooral om positieve gedragingen van ná haar detentie, dus sinds september 2025. De in beroep overgelegde stukken heeft verweerder niet kunnen meewegen in het bestreden besluit en vallen buiten de ex tunc toetsing. Overigens kan de rechtbank verweerder volgen in het standpunt dat het behalen van horecadiploma’s tijdens detentie niet betekent dat eiseres in de toekomst geen strafbare feiten zal plegen en dat de inhoud en uitkomst van haar deelname aan het plusprogramma tijdens detentie onvoldoende is geconcretiseerd. Eiseres was ten tijde van het nemen van het bestreden besluit nog gedetineerd en verweerder heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat op dat moment nog niet kan worden gesproken van een bestendige positieve gedragsverandering. De beroepsgrond slaag niet.
3.7.
Voor zover eiseres op de zitting heeft verwezen naar de uitspraak van deze rechtbank en deze zittingsplaats van 5 november 2025 [5] , overweegt de rechtbank dat de situatie in die zaak anders was dan die van eiseres. In die uitspraak oordeelde de rechtbank dat verweerder niet kon volstaan met een verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling, die ging over een eerdere aanvraag van die eiser. Die zaak was ook anders omdat in die zaak een rapport beschikbaar was waaruit volgde dat de openbare orde juist werd beschermd door eiser in het bezit te stellen van een verblijfsvergunning. De aangehaalde uitspraak vormt reeds daarom geen aanleiding voor een ander oordeel in de onderhavige zaak.

Conclusie en gevolgen

4.1.
Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen gelijk krijgt. Verweerder heeft op goede gronden de aanvraag van eiseres voor verlenging van haar verblijfsvergunning regulier met als verblijfsdoel ‘medische behandeling’ afgewezen. Eiseres krijgt daarom geen vergoeding van haar proceskosten.
4.2.
Omdat het beroep ongegrond is, bestaat er geen aanleiding is om de gevraagde voorlopige voorziening toe te wijzen. De voorzieningenrechter wijst dat verzoek dan ook af.

Beslissing

De rechtbank, in de zaak geregistreerd onder zaaknummer NL25.30247:
- verklaart het beroep ongegrond.
De voorzieningenrechter, in de zaak geregistreerd onder zaaknummer NL24.38607:
- wijst het verzoek af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.E.J.M. Gielen, rechter, in aanwezigheid van
mr.I.G.A. Karregat, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Artikel 8:81, vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2.Zie de uitspraken van de Afdeling van 20 november 2015, ECLI:NL:RVS:2015:3579, en van
3.Zie het arrest van 11 juni 2015, Z.Zh. en I.O., ECLI:EU:C:2015:377.
4.Zie paragraaf 3.2 van de Richtsnoeren voor een betere omzetting van toepassing van de Verblijfsrichtlijn (COM(2009) 313), onder meer betrokken in ECLI:NL:RVS:2018:186.