Eiser, een Turkse nationaliteit dragende man, diende op 10 september 2023 een asielaanvraag in. Hij werd eerder veroordeeld wegens vermeend lidmaatschap van de Gülenbeweging en vreest bij terugkeer vervolging. De minister wees de aanvraag op 9 mei 2025 af, stellende dat eiser geen gegronde vrees voor vervolging had en dat de bewijslast bij eiser lag.
De rechtbank oordeelt dat de minister ten onrechte de bewijslast bij eiser heeft gelegd, terwijl op grond van artikel 31, vijfde lid, van de Vreemdelingenwet de minister moet aantonen dat vervolging niet opnieuw zal plaatsvinden. De minister erkende dat eiser in het verleden vervolgd is, maar kon niet overtuigend aantonen dat er geen nieuwe vervolging zal zijn.
De rechtbank constateert dat de minister onvoldoende rekening hield met de langdurige surveillance, meldplicht en het Algemeen Ambtsbericht over Turkije dat vervolging van Gülenisten bevestigt. Het beroep wordt gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en de minister opgedragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak en het overgelegde document van mei 2024.
Daarnaast wordt eiser een proceskostenvergoeding van €1.868 toegekend. De uitspraak is gedaan door rechter J.J. Janssen op 3 april 2026.