ECLI:NL:RBDHA:2026:9229

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
16 april 2026
Publicatiedatum
16 april 2026
Zaaknummer
NL26.9577
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 17 DublinverordeningArt. 8:57 AwbArt. 30, eerste lid Vreemdelingenwet 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag op grond van Dublinverordening

De rechtbank heeft het beroep van eiser beoordeeld tegen het besluit van de minister van Asiel en Migratie om zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel niet in behandeling te nemen. De minister baseerde dit op de Dublinverordening, omdat Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling van de asielaanvraag en het verzoek tot terugname door Duitsland is aanvaard.

Eiser stelde dat hij risico loopt op indirect refoulement bij overdracht aan Duitsland en dat zijn medische situatie ernstig is, waardoor overdracht tot onomkeerbare achteruitgang zou leiden. De rechtbank oordeelde dat de minister zich op het standpunt mocht stellen dat hij de aanvraag niet onverplicht hoefde te behandelen, omdat er geen concrete aanwijzingen zijn dat Duitsland zijn internationale verplichtingen niet nakomt.

De rechtbank vond dat eiser onvoldoende had onderbouwd dat hij in Duitsland geen nieuwe asielaanvraag kan indienen of dat zijn medische situatie zodanig ernstig is dat overdracht onevenredige hardheid oplevert. Het beroep is daarom ongegrond verklaard en eiser krijgt geen proceskostenvergoeding.

Uitkomst: Het beroep tegen het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag is ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.9577

uitspraak van de enkelvoudige kamer van datum in de zaak tussen

[eiser], v-nummer: [nummer], eiser

(gemachtigde: mr. M. Luijendijk),
en

de minister van Asiel en Migratie.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 19 februari 2026 niet in behandeling genomen omdat Duitsland verantwoordelijk is voor de aanvraag.
1.1.
De rechtbank heeft partijen laten weten dat zij een zitting niet nodig vindt en gevraagd of zij het daarmee eens zijn. Omdat partijen daarna niet om een zitting hebben gevraagd, heeft de rechtbank het onderzoek gesloten en de zaak niet behandeld op een zitting. [1]

Beoordeling door de rechtbank

Totstandkoming van het besluit
2. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening. Op grond van de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. [2] In dit geval heeft Nederland bij Duitsland een verzoek om terugname gedaan. Duitsland heeft dit verzoek aanvaard.
Heeft de minister zich op het standpunt mogen stellen dat hij eisers asielaanvraag niet onverplicht in behandeling hoeft te nemen?
3. Eiser betoogt dat de minister zijn asielaanvraag onverplicht in behandeling moet nemen. [3] Eiser loopt namelijk risico op indirect refoulement bij een overdracht aan Duitsland, omdat zijn asielaanvraag is afgewezen en hij geen mogelijkheid heeft om een opvolgende asielaanvraag in te dienen. Ook loopt hij het risico om op straat te komen staan zonder uitzicht op een nieuwe asielprocedure. Verder betoogt eiser dat hij in behandeling is bij een psycholoog, en dat een overdracht naar Duitsland zal leiden tot een aanzienlijk en onomkeerbaar achteruitgaan van zijn medische conditie. Eiser wijst op een afschrift van zijn patiëntendossier. Eiser kan weliswaar niet aantonen dat er bij overdracht sprake is van een onomkeerbare situatie nu zijn psycholoog hier geen verklaring voor heeft opgesteld, maar daarvan is wel degelijk sprake. De minister had hier nader onderzoek naar moeten doen.
3.1.
De beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank is van oordeel dat de minister zich op het standpunt heeft mogen stellen dat hij eisers asielaanvraag niet onverplicht in behandeling hoeft te nemen. Onder verwijzing naar rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) [4] heeft de minister uiteengezet dat voor Duitsland nog altijd van het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag worden uitgegaan en dat er geen concrete aanwijzingen zijn dat Duitsland zijn internationale verplichtingen niet nakomt. De minister heeft zich op het standpunt mogen stellen dat eiser geen concrete informatie naar voren heeft gebracht die aanleiding geeft om tot een andere conclusie te komen. De enkele stelling dat hij in Duitsland een maand op straat heeft verbleven, en dat hij in Duitsland geen nieuwe asielaanvraag kan doen, heeft de minister onvoldoende mogen vinden, nu eiser dit niet heeft onderbouwd. Eiser heeft ook niet verklaard dat hij geprobeerd heeft een nieuwe asielaanvraag in te dienen in Duitsland. Gelet daarop mag de minister ervan uitgaan dat Duitsland een eventuele nieuwe asielaanvraag van eiser in behandeling neemt, en deze in lijn met de Europese richtlijnen en internationale verdragen op het gebied van asielrecht behandelt. Omdat er geen concrete aanwijzingen zijn dat Duitsland zijn internationale verplichtingen niet nakomt, heeft de minister het enkele feit dat het asielbeleid in Duitsland mogelijk anders is dan het asielbeleid in Nederland ook onvoldoende mogen vinden om eisers asielaanvraag onverplicht in behandeling te nemen. [5] De minister heeft er daarbij ook op mogen wijzen dat als eiser bang is voor refoulement, hij in Duitsland moet vertellen waarom hij daar bang voor is.
3.2.
Verder begrijpt de rechtbank dat eiser een beroep doet op het arrest C.K. van 16 februari 2017 van het Hof van Justitie. [6] De minister heeft zich hierover op het standpunt mogen stellen dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat een overdracht aan Duitsland leidt tot een reëel risico voor zijn gezondheid, zodat een overdracht van een onevenredige hardheid getuigt. Uit het afschrift van eisers patiëntendossier blijkt weliswaar dat eiser medicijnen ontvangt en een aantal medische klachten heeft, zoals slecht slapen, nachtmerries en problemen met concentratie, maar niet dat hij zorg door een specialist krijgt of nodig heeft. In beroep heeft eiser een bericht van een POH-GGZ overgelegd, maar daaruit blijkt alleen dat eiser bij haar op consult komt vanwege zijn klachten. Omdat eiser onvoldoende heeft onderbouwd dat hij onder behandeling staat vanwege ernstige medische klachten en een overdracht tot een aanzienlijk en onomkeerbare achteruitgang van zijn gezondheidstoestand zou leiden, heeft de minister hier ook geen nader onderzoek naar hoeven doen. De minister heeft daarnaast mogen vinden dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij alleen in Nederland zou kunnen worden behandeld of dat een overdracht zijn gezondheidstoestand slechter zou maken. De minister heeft er ook op mogen wijzen dat hij, vanwege het interstatelijk vertrouwensbeginsel, mag verwachten dat eisers medische problemen in Duitsland net zo goed kunnen worden behandeld als in Nederland.

Conclusie en gevolgen

4. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M. Hollebrandse, rechter, in aanwezigheid van mr. J. de Lange, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Artikel 8:57 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.
2.Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.
3.Artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening.
4.ABRvS 6 mei 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1902 en ABRvS 14 februari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:588.
5.Zie ABRvS 12 juni 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2359.
6.Hof van Justitie 16 februari 2017, ECLI:EU:C:2017:127