ECLI:NL:RBDHA:2026:9255

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
16 april 2026
Publicatiedatum
16 april 2026
Zaaknummer
NL26.17872
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59 VwArt. 96 Vw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling voortduren maatregel bewaring en zicht op uitzetting naar Algerije

De minister heeft op 5 februari 2026 een maatregel van bewaring opgelegd aan eiser, die hiertegen beroep instelde wegens het voortduren van deze maatregel en verzocht om schadevergoeding.

De rechtbank heeft eerder op 26 februari 2026 geoordeeld dat de maatregel tot dat moment rechtmatig was. Nu stond alleen de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel na 20 februari 2026 ter beoordeling.

Eiser stelde dat er geen zicht is op uitzetting omdat er geen presentatie bij de Algerijnse ambassade heeft plaatsgevonden en de minister onvoldoende voortvarend zou handelen. De rechtbank oordeelde echter dat zicht op uitzetting niet ontbreekt, mede gelet op eerdere uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak en het feit dat een laissez-passer aanvraag tijd kost, zeker zonder documenten van eiser.

Daarnaast stelde de rechtbank vast dat eiser niet meewerkt aan zijn uitzetting, wat een rechtsplicht is. De minister heeft voldoende voortvarend gehandeld door rappels te versturen en vertrekgesprekken te voeren. De rechtbank concludeerde dat het beroep ongegrond is en wees het verzoek om schadevergoeding af.

Uitkomst: Het beroep tegen het voortduren van de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.17872

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam], eiser,

V-nummer: [v-nummer:],
(gemachtigde: mr. S. Oukil),
en

de minister van Asiel en Migratie, de minister,

(gemachtigde: mr. M. Gaal - de Groot).

Inleiding

1. De minister heeft op 5 februari 2026 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw [1] opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.
1.1.
Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.
1.2.
De minister heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 10 april 2026 op zitting behandeld. Eiser en zijn gemachtigde zijn, met voorafgaande kennisgeving, niet verschenen. De minister heeft zich op de rechtbank laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. De rechtbank heeft het onderzoek op de zitting gesloten.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 26 februari 2026 [2] volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom staat nu alleen ter beoordeling of sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek op 20 februari 2026 de maatregel van bewaring rechtmatig is.
3. Als de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.
Wat vindt eiser?
4. Eiser betoogt dat de voortduring van de maatregel van bewaring onrechtmatig is. Hij voert daartoe aan dat geen zicht bestaat op uitzetting en dat de minister onvoldoende voortvarend handelt. In dit verband wijst eiser erop dat het laatste vertrekgesprek heeft plaatsgevonden op 16 maart 2026 en dat meerdere rappels zijn verzonden, waarvan de laatste op 12 maart 2026. Tot op heden heeft geen presentatie bij de Algerijnse ambassade plaatsgevonden en volgens eiser blijkt uit de stukken niet van een verklaring daarvoor.
Oordeel van de rechtbank
5. De rechtbank is van oordeel dat zicht op uitzetting naar Algerije niet ontbreekt. De rechtbank wijst op de uitspraken van de Afdeling [3] van 6 mei 2024 en 15 juli 2024, waarin de Afdeling heeft geoordeeld dat zicht op uitzetting in het algemeen naar Algerije niet (meer) ontbreekt. [4] De rechtbank ziet geen aanleiding om in het geval van eiser anders te oordelen. Niet is gebleken dat de Algerijnse autoriteiten hebben aangegeven geen lp [5] voor eiser te zullen verstrekken. Dat nog geen reactie is ontvangen op de rappels en nog geen presentatie bij de Algerijnse autoriteiten heeft plaatsgevonden, rechtvaardigt niet de conclusie dat geen zicht op uitzetting bestaat. De rechtbank betrekt hierbij dat een lp-aanvraag bij de Algerijnse autoriteiten in het algemeen de nodige tijd in beslag neemt, zeker wanneer de vreemdeling, zoals in het geval van eiser, geen documenten ter onderbouwing van zijn identiteit en nationaliteit heeft overgelegd. De minister heeft toegelicht dat om die reden nog geen presentatie heeft plaatsgevonden.
5.1.
Bovendien rust op eiser de rechtsplicht Nederland te verlaten. Deze plicht brengt onder meer met zich dat eiser actieve en volledige medewerking aan zijn uitzetting dient te verlenen. [6] De rechtbank constateert dat eiser deze medewerking niet verleent. Zo heeft eiser tijdens het meest recente vertrekgesprek bevestigd dat hij bewust niet meewerkt aan het onderzoek naar zijn identiteit en nationaliteit, omdat hij niet wil terugkeren naar Algerije.
5.2.
De rechtbank is verder van oordeel dat de minister voldoende voortvarend werkt aan de uitzetting van eiser. Uit de voortgangsrapportage en wat op de zitting is besproken, blijkt dat sinds het sluiten van het onderzoek in de vorige procedure op 12 maart 2026 en op 3 april 2026 is gerappelleerd op de lp-aanvraag bij Algerije. Daarnaast heeft de minister op 12 maart 2026 en op 9 april 2026 een vertrekgesprek met eiser gevoerd. Deze gang van zaken acht de rechtbank voldoende voortvarend.
5.3.
De rechtbank ziet ook ambtshalve geen aanleiding voor het oordeel dat de voortduring van de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek op 20 februari 2026 op enig moment onrechtmatig was. [7] De rechtbank stelt daarbij vast dat eiser nog geen zes maanden in bewaring zit. [8]

Conclusie en gevolgen

6. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep ongegrond;
  • wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. V.A.G. van Dijk, rechter, in aanwezigheid van mr.
S. Strating, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl
De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Vreemdelingenwet 2000.
3.Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
5.Laissez-passer.
6.Zie bijvoorbeeld de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 13 januari 2022 (ECLI:NL:RVS:2022:85) en van 2 augustus 2022 (ECLI:NL:RVS:2022:2210).
7.Zie ook het arrest Adrar van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 4 september 2025 (ECLI:EU:C:2025:647).
8.Zie ook het arrest Aroja van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 5 maart 2026 (ECLI:EU:C:2026:148).