ECLI:NL:RBDHA:2026:9271
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing visumaanvraag kort verblijf wegens twijfel aan terugkeervoornemen
Eiseres, een Iraanse vrouw, vroeg een visum voor kort verblijf aan om haar dochter en kleinzoon in Nederland te bezoeken. Verweerder wees de aanvraag af omdat er redelijke twijfel bestond over haar terugkeervoornemen naar Iran, mede vanwege onvoldoende sociale en economische binding met Iran en het feit dat haar dochter en kleinzoon asiel hadden aangevraagd in Nederland.
Eiseres voerde aan dat zij wel degelijk sterke sociale en economische banden met Iran heeft, waaronder een echtgenoot die een eigen winkel heeft en familiecontacten. Zij stelde dat elke aanvraag op eigen merites beoordeeld moet worden en dat het betrekken van het asielverzoek van haar dochter onterecht was. De rechtbank oordeelde dat verweerder in redelijkheid tot zijn besluit kon komen, mede omdat de economische binding onvoldoende was aangetoond en het late overleggen van bankafschriften niet ter zake deed.
Verder wees de rechtbank het beroep af op het punt dat verweerder terecht van het horen in bezwaar kon afzien omdat het bezwaar kennelijk ongegrond was. De rechtbank concludeerde dat het beroep ongegrond is en dat eiseres geen visum krijgt, griffierecht niet wordt terugbetaald en geen proceskostenvergoeding ontvangt.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de visumaanvraag wordt ongegrond verklaard en het visum wordt niet verleend.