ECLI:NL:RBDHA:2026:9382

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
17 april 2026
Publicatiedatum
17 april 2026
Zaaknummer
NL24.26957
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • M.M. van Veelen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8 EVRMArt. 3:2 AwbArt. 3:46 AwbArt. 4:84 AwbArt. 8:72 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep gegrond tegen afwijzing mvv-aanvraag wegens onjuiste belangenafweging en gezinsleven

Eisers hebben beroep ingesteld tegen het besluit van de minister van Asiel en Migratie om de aanvraag voor een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) af te wijzen. De aanvraag betrof verblijf als familie- of gezinslid van een jongvolwassene, referent, geboren in 1999, die vanwege oorlogsomstandigheden in Syrië naar Nederland is gevlucht.

De minister stelde dat er geen sprake was van beschermenswaardig gezinsleven tussen referent en zijn moeder, mede omdat referent niet onder het jongvolwassenenbeleid viel en geen meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie bestond. De rechtbank oordeelt dat de minister onvoldoende rekening heeft gehouden met de bijzondere omstandigheden, zoals de rol van referent als kostwinner vanaf jonge leeftijd, de onvrijwillige verbreking van het gezin door oorlog en de kwetsbare situatie van het gezin in Syrië.

De rechtbank stelt dat de belangenafweging onzorgvuldig en onvoldoende gemotiveerd is uitgevoerd. De minister heeft ten onrechte het ontbreken van toestemming van de vader meegewogen terwijl sprake is van bewijsnood. Ook is onvoldoende aandacht besteed aan de intensiteit van het gezinsleven en de gevolgen van de oorlogssituatie.

De rechtbank vernietigt het bestreden besluit en draagt de minister op een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak. Tevens wordt de minister veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten aan eisers.

Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd, met opdracht tot een nieuw besluit en vergoeding van kosten aan eisers.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Zwolle
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.26957

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiseres], V-nummer: [v-nummer 1], (de moeder)

En haar minderjarige kinderen:
[kind 1], V-nummer: [v-nummer 2],
[kind 2], V-nummer: [v-nummer 3],
[kind 3], V-nummer: [v-nummer 4],
samen genoemd: eisers,
(gemachtigde: mr. J.G. Wiebes),
en

de Minister van Asiel en Migratie,

(gemachtigde: mr. M.C. Kadijk).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eisers tegen de afwijzing van de namens hen ingediende aanvraag van 5 augustus 2021 tot verlening van een mvv [1] voor verblijf als familie- of gezinslid in de zin van artikel 8 van Pro het EVRM [2] , bij [referent], geboren op [geboortedatum] 1999 (hierna: referent).
1.1.
Bij besluit van 30 november 2022 (het primaire besluit) heeft de minister de aanvraag afgewezen. Eiser heeft daartegen op 26 december 2022 bezwaar gemaakt.
1.2.
Bij besluit van 6 juni 2024 (het bestreden besluit) heeft de minister het bezwaar van eisers ongegrond verklaard.
1.3.
Eisers hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
1.4.
De minister heeft een verweerschrift ingediend.
1.5.
De rechtbank heeft het beroep op 14 augustus 2025 op zitting behandeld. De gemachtigde van eisers is verschenen. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt het beroep van eisers tegen het bestreden besluit aan de hand van de beroepsgronden die eisers hebben aangevoerd.
3. De rechtbank zal het beroep gegrond verklaren. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Besluitvorming
4. De minister heeft de mvv-aanvraag in het primaire besluit, gehandhaafd in het bestreden besluit, afgewezen. De minister neemt aan dat tussen eisers en referent een familierechtelijke relatie bestaat. De minister heeft zich - kort samengevat - op het standpunt gesteld dat geen sprake is van familieleven (zoals bedoeld in de zin van artikel 8 van Pro het EVRM) tussen referent en zijn moeder. Referent valt niet onder het jongvolwassenenbeleid. Ook is er geen sprake van een meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie tussen referent en zijn moeder. Aan een belangenafweging wordt daarom niet toegekomen. De minister heeft wel aangenomen dat sprake is van familieleven tussen referent en zijn minderjarige broers, omdat het aannemelijk is dat er sprake is van hechte persoonlijke banden. De belangenafweging valt echter in het nadeel van eisers en referent uit.
JongvolwassenenbeleidHet betoog van eisers
5. Eisers betogen dat de minister ten onrechte niet heeft getoetst aan het jongvolwassenenbeleid. Eisers zijn van mening dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd waarom in dit bijzondere geval slechts een beperkte waarde wordt toegekend aan het feit dat referent de werkzaamheden op het schip met name tijdens zijn minderjarigheid heeft uitgevoerd en tevens de rol van kostwinner op zich heeft genomen. Volgens eisers miskent de minister dat referent dit werk uitsluitend kon doen omdat hij toestemming had van zijn ouders, en formeel woonachtig was op het adres van zijn ouders. Referent beschikte zelf niet over huisvesting anders dan de woning van zijn ouders. Hieruit volgt dat hij zonder zijn ouders dit werk niet had kunnen doen. Hoewel referent door omstandigheden werd gedwongen om al op zeer jonge leeftijd de rol van kostwinner op zich te nemen, betekent dit niet dat er in het geheel geen afhankelijkheid meer was van zijn ouders. Dat referent vanwege zijn werk op het schip beschikte over onderdak voor de duur van zijn dienstbetrekking, maakt nog niet dat hij in staat is geweest om geheel zelfstandig een bestaan op te bouwen en daarmee volledig onafhankelijk van zijn ouders was geworden. Er is sprake van afhankelijkheid over en weer. Hierbij is tevens van belang dat de situatie voor referent volstrekt onmogelijk werd op het moment dat hij 18 jaar is geworden. Hij liep toen immers het risico te worden opgeroepen voor militaire dienst. Uitstel in verband met studie was in zijn geval niet aan de orde. Het lukte hem op een gegeven moment niet om nog veilig in Syrië te kunnen verblijven met als gevolg dat hij zijn thuisbasis verloor. Op het moment dat referent in Nederland zijn asielverzoek indiende (peildatum) was hij op geen enkele wijze meer in staat om zelf te voorzien in zijn levensonderhoud. Het is eiser dan ook niet duidelijk waarom de minister deze specifieke situatie niet voldoende heeft betrokken bij de besluitvorming. Dit terwijl de minister erkent dat referent vanwege de militaire dienst heeft moeten vluchten.
Het oordeel van de rechtbank
6. De minister gebruikt het jongvolwassenenbeleid [3] om vast te stellen of tussen een meerderjarig kind en zijn ouder(s) familie- of gezinsleven bestaat als bedoeld in artikel 8 van Pro het EVRM. Dit beleid bevat vier inhoudelijke cumulatieve vereisten: het meerderjarige kind moet jongvolwassen zijn, met zijn ouder(s) in gezinsverband samenleven, niet in zijn eigen onderhoud voorzien en geen zelfstandig gezin hebben gevormd. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) heeft dit beleid niet in strijd met enige rechtsregel noch onredelijk geacht [4] . Wel moet de minister aan de hand van de individuele feiten en omstandigheden een op het geval toegespitste beoordeling maken of een meerderjarig kind aan die vereisten voldoet.
7. De minister heeft in dit kader betrokken dat referent tot 2017 met zijn ouders en broers heeft samengewoond en dat hij daarna langdurig op een schip is gaan wonen en werken. Referent heeft lange tijd in zijn eigen onderhoud voorzien. Referent verdiende lange tijd salaris en deed dat ten tijde van zijn werk op het schip nog steeds. De minister heeft op goede gronden zich op het standpunt gesteld dat referent hiermee stappen heeft gezet op weg naar zelfstandigheid. Dat referent voor een belangrijk deel of zelfs volledig in het onderhoud van het gezin heeft voorzien, neemt niet weg dat referent voor een langere periode in zijn eigen levensonderhoud heeft voorzien. De rechtbank verwijst in dit verband naar jurisprudentie van de Afdeling waaruit blijkt dat de minister de situatie dat referent in het levensonderhoud van het gezin voorzag mag zien als omstandigheid waaruit blijkt dat hij in zijn eigen levensonderhoud kan voorzien. [5] Verder heeft de minister kunnen overwegen dat kortdurende periodes van verblijf in de ouderlijke woning tijdens werkzaamheden op een schip niet af doen aan de stappen naar zelfstandigheid die referent inmiddels heeft gezet. De minister heeft gelet op dit alles terecht geconcludeerd dat eisers niet voldoen aan de voorwaarden van het jongvolwassenenbeleid.
Bijkomende elementen van afhankelijkheid
Het betoog van eisers
8. Eisers betogen dat sprake is van ‘more than normal emotional ties’. Hierbij is van belang dat de vader als kostwinner is uitgevallen en referent deze rol binnen het gezin al op zeer jonge leeftijd op zich heeft genomen. Uitsluitend vanwege de oorlogssituatie in Syrië kon referent deze rol niet op zich blijven nemen. Dat maakt volgens eisers niet dat in dit geval geen sprake is van bijzondere, individuele omstandigheden die leiden tot het oordeel dat er tussen referent en zijn moeder geen sprake is van een meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie. Dit is te meer onbegrijpelijk nu tussen referent en zijn jongere broers wel wordt aangenomen dat sprake is van hechte persoonlijke banden, referent diende immers een ouderrol te vervullen. Volgens eisers miskent de minister dat het net zo ongebruikelijk is dat een (minderjarig) kind als kostwinner voor zijn moeder optreedt. Eisers betogen dat de minister de diverse aspecten onvoldoende in onderlinge samenhang heeft beoordeeld. De samenwoning kan niet los worden gezien van de financiële afhankelijk, emotionele afhankelijkheid en de overige onderlinge banden. Ook kan de minister niet voorbij gaan aan de omstandigheid dat de samenwoning onvrijwillig is verbroken. Indien referent niet had moeten vluchten, zou hij nooit zijn ouderlijk gezin hebben verlaten. Het gezin was ook erg kwetsbaar. De vader stond onder de negatieve belangstelling van de Syrische autoriteiten en is diverse keren gedetineerd. Hij is slachtoffer geweest van mensenrechtenschendingen en marteling met als gevolg dat hij niet meer in staat was om te werken. Gelet op alle omstandigheden is er sprake van een meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie tussen referent en eisers. Eisers wijzen erop dat indien vader niet meer kan functioneren als hoofd van het gezin, deze rol over gaat op de oudste zoon, namelijk referent. De minister is daarom ten aanzien van eiseres ten onrechte niet toe gekomen aan een belangenafweging.
Het oordeel van de rechtbank
9. Uit de hiervoor genoemde uitspraak van de Afdeling van 29 mei 2024 volgt dat als de minister zich op het standpunt stelt dat een meerderjarig kind niet voldoet aan het jongvolwassenenbeleid, hij moet vaststellen of sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid op grond waarvan familie- of gezinsleven moet worden aangenomen. Ook hier dient de minister alle individuele omstandigheden van het geval te betrekken [6] . Het is aan de betrokkenen om omstandigheden aan te voeren waaruit volgens hen blijkt van bijkomende elementen van afhankelijkheid.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister zich ten onrechte op het standpunt gesteld dat geen sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid. Eisers hebben gesteld namelijk dat referent vanaf zeer jonge leeftijd de rol van kostwinner overgenomen voor het gezin, omdat de vader gedetineerd was, daar gemarteld is en daardoor daarna niet in staat was om te werken. Dat de moeder niet kan werken, wordt door de minister niet betwist. Op pagina 6 van het bestreden besluit zegt de minister ook dat het aannemelijk is dat referent gedurende meerdere jaren, tot het moment dat hij niet langer op het schip werkte en naar Nederland vertrok, de kostwinner van zijn ouderlijk gezin was. Gelet op de positie van zijn moeder als vrouw in Syrië en de gezondheidstoestand van zijn vader heeft hij deze rol op zich moeten nemen. Dat eiser sinds hij gevlucht is naar Nederland in mindere mate in staat is om geld toe te sturen, maakt dit naar het oordeel van de rechtbank niet anders. De rechtbank verwijst in dit verband naar de voornoemde uitspraak Afdeling van 27 maart 2024, waarbij de minister een brede beoordeling moet maken van de vraag of er bijkomende elementen van afhankelijkheid bestaan. De minister heeft dit naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende gedaan. Dit betekent dat de minister zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat er geen sprake is van beschermenswaardig gezinsleven tussen referent en zijn moeder. Het beroep is reeds daarom gegrond.
Belangenafweging
Het betoog van eisers
10. De minister heeft wel aangenomen dat sprake is van familieleven in de zin van artikel 8 van Pro het EVRM tussen referent en zijn broers. De minister laat de belangenafweging ten onrechte in het nadeel van eisers uitvallen. Volgens eisers is de belangenafweging niet op de juiste wijze uitgevoerd. Eisers betogen dat de minister bij de beoordeling ten onrechte alle specifieke problemen van het ouderlijk gezin buiten beschouwing laat. Dit betreffen bijzondere omstandigheden. Gelet hierop is het besluit niet voldoende gemotiveerd en op onzorgvuldige wijze tot stand gekomen.
De vader van referent heeft toestemming gegeven voor het vertrek van de kinderen naar
Nederland. In dit geval is wel een kopie overgelegd van zijn identiteitskaart. Hierop staat echter geen handtekening. Zijn paspoort waarop wel een handtekening is geplaatst, is ingenomen door de Syrische autoriteiten. Hij heeft een uitreisverbod. Nu de minister deze omstandigheden niet heeft weersproken, zijn eisers van mening dat in dit geval voldoende duidelijk is gemaakt dat geen document met handtekening kan worden overgelegd. Er is sprake van bewijsnood. Volgens eisers is het daarom niet terecht dat dit in hun nadeel wordt meegewogen.
Verder hebben eisers naar voren gebracht dat door de minister wordt erkend dat er sprake is van een objectieve belemmering om in Syrië samen te wonen. Dit maakt voor de minister echter niet dat er een positieve verplichting bestaat om aan eisers een mvv te verstrekken. Volgens eisers miskent de minister hierbij dat de rol van referent als uitgangspunt wordt genomen, en juist hierom wordt aangenomen dat er sprake is van familieleven. Het familieleven is geheel onvrijwillig als gevolg van oorlogsomstandigheden onderbroken. Daarom bestaat er een zwaarwegend belang om de gezinsleden te herenigen, ook in een situatie waarbij geen sprake is van inmenging.
Eisers verwijzen verder naar het bestreden besluit op pagina 10 waarin wordt overwogen dat
er geen regulier beleid is voor de gezinssamenstelling waarbij een meerderjarige broer een mvv-aanvraag heeft ingediend voor zijn minderjarige broers. Dit aspect wordt in hun nadeel meegewogen. Eisers kunnen dit niet volgen, nu de minister erkent dat referent tevens de rol van kostwinner op zich heeft genomen en daarom dient te worden vergeleken met een ouder. Gelet op de zwaarwegende belangen van eisers, zijn zij in dit geval van mening dat het economisch belang van de Nederlandse overheid niet dient te prevaleren boven hun belang om te worden herenigd. Hoewel de gezinsleden op afstand middels de moderne communicatiemiddelen trachten invulling te geven aan het gezinsleven, is duidelijk dat zij niet meer invulling kunnen geven aan het familieleven zoals dat gebruikelijk was voordat referent genoodzaakt was om te vluchten. Volgens eisers miskent de minister dat op deze wijze geen recht wordt gedaan aan het gezins- en familieleven als bedoeld in artikel 8 van Pro het EVRM.
Volgens eisers zijn de omstandigheden van eisers niet op juiste waarde beoordeeld en betrokken in het kader van de besluitvorming. Dit geldt ook met betrekking tot de intensiteit van het gezinsleven. De banden van eisers met Syrië zijn vanzelfsprekend sterk, echter hierbij heeft de minister ten onrechte de burgeroorlog en de gevolgen hiervan ten onrechte niet in voldoende mate betrokken. Referent is hun broer en deze band dient gelet op alle omstandigheden van het geval te prevaleren. De verwijzing naar de asielprocedure voor toetsing van de asiel gerelateerde aspecten, kunnen eisers niet volgen. Zij verkeren niet in de situatie om in Nederland asiel aan te vragen. Eisers stellen zich op het standpunt dat ook de beoordeling van de bijzondere omstandigheden in het kader van artikel 4:84 Awb Pro niet zorgvuldig is geweest. Zij zijn van mening dat gelet op hun specifieke belangen en die van referent, meer gewicht aan hun belangen had moeten worden toegekend dan aan het Nederlands belang en daarom de belangenafweging ten onrechte in hun nadeel uitvalt. Eisers vinden daarom de weigering om een mvv te verlenen in strijd is met artikel 8 van Pro het EVRM.
Het oordeel van de rechtbank
11. De rechtbank is het met eisers eens dat de belangenafweging onvoldoende is geweest. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister ten onrechte in het nadeel laten meewegen dat toestemming van de vader ontbreekt nu er geen enkele indicatie is van een strafbaar feit en eisers voldoende aannemelijk hebben gemaakt dat er sprake van bewijsnood is. Verder heeft de minister de leeftijd van referent en de inspanningen die er zijn verricht, niet dan wel onvoldoende betrokken bij de beoordeling van het economisch belang. De rechtbank verwijst in dit kader naar de uitspraak Afdeling van 15 juli 2025 [7] . De beroepsgrond slaagt.

Conclusie en gevolgen

12. Het beroep zal gegrond worden verklaard, omdat het bestreden besluit in strijd is met het zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel. [8] De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit.
12.1.
De rechtbank bepaalt dat de minister een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van deze uitspraak. [9]
12.2.
Omdat het beroep gegrond zal worden verklaard moet de minister het griffierecht aan eisers vergoeden en krijgen eisers ook een vergoeding van hun proceskosten.
De minister moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eisers een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- draagt de minister op een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;
- bepaalt dat de minister het griffierecht van € 187,- aan eisers moet vergoeden;
- veroordeelt de minister tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eisers.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.M. van Veelen, rechter, in aanwezigheid van
mr. T.C. Kasper-Kleve, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.

Voetnoten

1.Machtiging tot voorlopig verblijf.
2.Het (Europees) Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden.
3.Neergelegd in paragraaf B7/3.8.1 van de Vreemdelingencirculaire 2000
4.Uitspraak van 29 mei 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2145.
6.Vgl. de uitspraak van de Afdeling van 27 maart 2024 (ECLI:NL:RVS:2024:1188, onder 5.2 en 5.3)
8.Artikel 3:2 en Pro 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht.
9.Toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht.