Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:9541

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
20 april 2026
Publicatiedatum
21 april 2026
Zaaknummer
24_2844
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4:19 Wet IB 2001Art. 4:21 Wet IB 2001Art. 4:24 Wet IB 2001Art. 5.19 Wet IB 2001
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vermindering aanslag inkomstenbelasting 2017 wegens oninbare rente en waardering onroerende zaken

De rechtbank behandelt het beroep van de erven van de erflater tegen de aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) over 2017. De erflater had rekening-courantvorderingen op meerdere vennootschappen en had aandelen overgedragen aan een stichting. Tevens bezat hij onroerende zaken waarvan de waardering in geschil was.

De rechtbank oordeelt dat de rente op een deel van de rekening-courantvorderingen deels oninbaar is, met name bij F BV, en vermindert de aanslag dienovereenkomstig. De rechtbank wijst het beroep af voor verdere vermindering, omdat de erflater onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van een vervreemdingsverlies bij de aandelenoverdracht en dat de waarde van de onroerende zaken lager is dan de WOZ-waarde.

De rechtbank overweegt uitgebreid de jaarrekeningen van de vennootschappen, de fiscale jurisprudentie over onzakelijke leningen en debiteurenrisico, en de waarderingsmethoden voor onroerende zaken. De aanslag wordt verminderd tot een belastbaar inkomen uit werk en woning van €147.740 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van €31.159. Tevens wordt de belastingrente verminderd en worden de proceskosten aan de eisers toegekend.

Uitkomst: De aanslag IB/PVV 2017 wordt verminderd wegens deels oninbare rente op rekening-courantvorderingen en de waardering van onroerende zaken wordt bevestigd op WOZ-niveau.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Team belastingrecht
zaaknummer: SGR 24/2844

uitspraak van de meervoudige kamer van 20 april 2026 in de zaak tussen

de erven van [erflater] , eisers

(gemachtigde: mr. T.H. Huisman),
en

de inspecteur van de Belastingdienst, verweerder.

Procesverloop

Verweerder heeft aan wijlen [erflater] (de erflater) voor het jaar 2017 een aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) opgelegd. Daarbij is belastingrente in rekening gebracht.
Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 17 januari 2024 de aanslag en de rentebeschikking gehandhaafd.
De erflater heeft daartegen beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 november 2025. Op deze zitting is tevens behandeld de zaak van eisers met zaaknummer SGR 24/4619.
Namens eisers is de gemachtigde verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. [naam 1] en drs. [naam 2] .

Overwegingen

Feiten
1. Erflater was vanaf 6 december 2017 enig bestuurder van de [stichting] (Stichting B). In de statuten van Stichting B is, voor zover hier van belang, het volgende opgenomen:

“Artikel 5.

Bestuur.
1. Het Bestuur bestaat uit een door het Bestuur te bepalen aantal van tenminste een (1) lid en wordt voor de eerste maal bij deze akte benoemd.
(…)
2. Het Bestuur (met uitzondering van het eerste Bestuur, waarvan de leden in functie
worden benoemd) kiest uit zijn midden een voorzitter, een secretaris en een penningmeester, tezamen vormende het dagelijks bestuur. Indien het Bestuur uit één lid bestaat, vervult dit lid de functies van voorzitter, secretaris en penningmeester.
3. De bestuurders worden benoemd voor onbepaalde tijd.
(…)
Artikel 7.
Bestuursbevoegdheid en vergoedingen.
1. Het Bestuur is belast met het besturen van de Stichting.
2. Het Bestuur is bevoegd te besluiten tot het aangaan van overeenkomsten tot verkrijging, vervreemding en bezwaring van registergoederen en tot het aangaan van overeenkomsten waarbij de Stichting zich als borg of hoofdelijk-medeschuldenaar verbindt, zich voor een derde sterk maakt of zich tot zekerheidstelling voor een schuld van een ander verbindt.
(…)
Artikel 15.
Statutenwijziging.
1. Het Bestuur is bevoegd de Statuten te wijzigen.
(…)
Artikel 16.
Ontbinding en vereffening.
1. Het bestuur is bevoegd de Stichting te ontbinden.
(…)
6. Een eventueel batig saldo van de ontbonden Stichting wordt besteed overeenkomstig het doel van de Stichting.
(…)
Slotverklaring.
Ten slotte verklaarde de verschenen persoon ter uitvoering van het bepaalde is artikel 5 leden Pro 1 en 2 dat het Bestuur voor de eerste maal uit één lid bestaat en dat voor de eerste maal tot bestuurder wordt benoemd, de mede voor mij, notaris, verschenen [erflater], als voorzitter, secretaris en penningmeester en die zijn functie accepteert waarvan blijkende uit mede ondertekening van deze akte.”
2. Erflater hield tot 11 december 2017 alle aandelen in de vennootschap [bedrijfsnaam 1] B.V. (C BV). Op 11 december 2017 zijn alle aandelen C BV tegen betaling van € 1 overgedragen aan Stichting B.
3. In de uitspraak op bezwaar is met betrekking tot de overdracht onder 2 het volgende vermeld:
“Het bezwaarschrift heeft u tijdens het hoorgesprek van 10 oktober 2022 aangevuld. U heeft in de aangifte IB/PVV 2018 een vervreemdingsvoordeel uit aanmerkelijk belang van € 15.881 negatief aangegeven. Dit verlies ziet op het aanmerkelijk belang van uw cliënt in [C BV]. Gelet op de datum van de aandelenoverdracht van 11 december 2017 had dit verlies moeten worden aangegeven in de aangifte IB/PVV 2017. In het gevoerde hoorgesprek van 10 oktober 2022 heeft u aangegeven om alsnog hiermee rekening te mogen houden bij de behandeling van dit bezwaarschrift aangaande het jaar 2017.”
4. De erflater hield gedurende 2017 tevens alle aandelen in [bedrijfsnaam 2] B.V. (D BV) en 75% van alle aandelen in [bedrijfsnaam 3] B.V. (F BV). D BV hield alle aandelen in, onder andere, [bedrijfsnaam 4] B.V. (E BV).
5. De erflater had gedurende 2017 de volgende rekening-courantvorderingen op, onder andere, C BV, D BV, E BV en F BV (de rc-vorderingen):
Vordering op
saldo 31 december 2016
saldo 31 december 2017
C BV
€ 348.778
€ 329.720
D BV
€ 1.840.679
€ 1.731.581
E BV
€ 2.593.918
€ 2.819.652
F BV
€ 316.201
€ 319.363
6. Tot de stukken van het geding behoren jaarrekeningen voor het jaar 2017 van D BV, E BV en F BV:
  • Uit de jaarrekening van D BV volgt dat deze vennootschap in 2017 een bedrijfsopbrengst heeft behaald van € 195.049; dat zij een resultaat heeft behaald van € 203.688 negatief; dat tot haar activa per 31 december 2017 onder meer deelnemingen en een bedrag van € 5.501.091 aan vorderingen behoorden en dat het eigen vermogen per 31 december 2017 € 4.668.321 negatief bedroeg.
  • Uit de jaarrekening van E BV volgt dat deze vennootschap in 2017 een omzet heeft behaald van € 487.187; dat zij een resultaat heeft behaald van € 479.876 negatief; dat tot haar activa per 31 december 2017, onder meer, een bedrag van € 454.883 aan vorderingen, een wijnvoorraad van € 61.895 en een bedrag van € 9.344 aan liquide middelen behoorden en dat per 31 december 2017 het eigen vermogen € 6.080.690 negatief bedroeg.
  • Uit de jaarrekening van F BV volgt dat deze vennootschap in 2017 geen omzet heeft behaald; dat zij ten gevolge van rentekosten een resultaat heeft behaald van € 3.221 negatief; dat haar enige activum bestond uit een gering bedrag aan liquide middelen en dat per 31 december 2017 het eigen vermogen € 319.887 negatief bedroeg.
7. Erflater bezat in 2017 in privé onder meer de onroerende zaken [onroerende zaak 1] (onroerende zaak 1), [onroerende zaak 2] (onroerende zaak 2), en 50% van [onroerende zaak 3] (onroerende zaak 3). De WOZ-waarde van de onroerende zaken 1, 2 en 3 bedroeg per waardepeildatum 1 januari 2017 € 2.644.000 respectievelijk € 1.295.000 en € 4.650.000.
8. Onroerende zaak 3 is gedurende 2017 deels verhuurd aan [bedrijfsnaam 5] B.V. (H BV). C BV heeft middellijk 54% van de aandelen in H BV. Daarnaast vond voor een ander deel verhuur plaats aan [bedrijfsnaam 6] B.V. waarin een hotel wordt geëxploiteerd.
9. Over onroerende zaak 3 zijn in 1999 afspraken gemaakt met verweerder. In de brief van 9 maart 1999 met het onderwerp ‘compromis IB 1993-1995’ is, voor zover hier van belang, het volgende opgenomen:
“De aankoopsom inclusief de aankoopkosten worden voor 65% toegerekend aan de opstalwaarde. De grond- en restwaarde bedraagt derhalve 35%. Op de aldus berekende opstalwaarde wordt (op jaarbasis) 3.75% afgeschreven.
Dit compromis geldt tot 1999; in dat jaar vinden omvangrijke investeringen plaats. Aan de hand daarvan wordt het afschrijvingspercentage en de afschrijfbare waarde opnieuw bepaald.”
10. Erflater heeft op 12 juli 2019 aangifte IB/PVV voor het jaar 2017 gedaan naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 42.458 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 13.248.
11. Bij het bepalen van het belastbare resultaat uit overige werkzaamheden heeft erflater ter zake van de rc-vorderingen geen rente-inkomsten in aanmerking genomen. Daarbij heeft hij aangegeven dat de rente op de rc-vorderingen op C BV (€ 6.717), D BV (€ 44.102), E BV (€ 66.834) en F BV (€ 3.162) oninbaar is.
12. De onroerende zaken 1, 2 en 3 zijn voor de volgende bedragen aangegeven als rendementsgrondslag sparen en beleggen:
Belang erflater
Aangegeven waarde
onroerende zaak 1
100%
€ 1.144.000
onroerende zaak 2
100%
€ 545.000
onroerende zaak 3
50%
€ 702.000
13. Met dagtekening 6 januari 2021 heeft verweerder aan de erflater een informatieverzoek gestuurd naar aanleiding van de ingediende aangifte IB/PVV voor het jaar 2017. Verweerder verzocht om nadere onderbouwing van de oninbaarheid van de rente op de rekening-courantvorderingen. Tevens informeerde verweerder de erflater over zijn voornemen om bij de aanslagoplegging uit te gaan van een hogere waarde van, onder meer, de onroerende zaken 1, 2 en 3.
14. Bij e-mail van 22 februari 2021 heeft de erflater gereageerd op het informatieverzoek van 6 januari 2021. De erflater schreef dat de waarde in het economische verkeer (WEV) van de rente op de rekening-courantvorderingen op nihil moet worden gesteld omdat de rente vanwege de financiële situatie van betreffende vennootschappen niet wordt betaald en ook niet inbaar is. Ten aanzien van de waarde van de onroerende zaken 1, 2 en 3 schreef de erflater dat de WEV is aangegeven.
15. Verweerder heeft bij e-mail van 3 maart 2021 gereageerd op de e-mail van 22 februari 2021. Daarin is, voor zover hier van belang, het volgende opgenomen:

“Inkomsten uit werk en woning (box 1)

Resultaat uit ter beschikking gesteld vermogensbestanddeel
In mijn brief van 6 januari 2021 heb ik gevraagd waarom u de mening bent toegedaan dat de rc rente aftrekbaar is. Tevens heb ik verzocht uw standpunt met onderliggende stukken te onderbouwen. Ik heb geen stukken van u mogen ontvangen. U heeft aangegeven dat u de mening bent toegedaan dat de waarde van de rc rente nihil is. Alleen stellen dat u de mening bent toegedaan dat de waarde van de rc rente nihil is, is onvoldoende. Ik ben dan ook de mening toegedaan dat de rc rente ten onrechte in aftrek is gebracht. De correctie betreffende in aftrek gebrachte rc rente bedraagt € 120.815. Hierdoor is een hogere MKB vrijstelling van toepassing ten bedrage van € 14.498. De totale correctie van het inkomen inzake het ter beschikking gesteld vermogen bedraagt derhalve € 106.317.
Voordeel uit sparen en beleggen (box 3)
[onroerende zaak 2]
(…). Volgens de mij ter beschikking staande gegevens bedraagt de WOZ waarde van deze onroerende zaken (…) in totaal € 1.295.000. In de aangifte wordt in de vermogensopstelling een waarde vermeld van € 545.000. De correctie bedraagt derhalve € 750.000.
[onroerende zaak 1]
Betreffende [onroerende zaak 1] geeft u aan dat de waarde aanzienlijk lager zou zijn. Dit in verband met een slecht betalende huurder, die later failliet is gegaan. Het betreft hier een verblijfsobject met industriefactor waar verschillende bedrijven gevestigd zijn. Ik vind het derhalve niet aannemelijk dat de aanwezigheid van één slecht betalende huurder een dergelijke waardedrukkende uitwerking heeft. Volgens de mij ter beschikking staande gegevens bedraagt de WOZ waarde van deze onroerende zaken (…) in totaal € 2.644.000. In de aangifte wordt in de vermogensopstelling een waarde vermeld van € 1.144.000. De correctie bedraagt derhalve € 1.500.000.
(…)
[onroerende zaak 3]
Met betrekking tot de waardering van [onroerende zaak 3] verwijst u naar een op 5 maart 1999 gesloten compromis. Zoals u zelf aangeeft betreft dit compromis de waardering van deze onroerende zaak tot en met de aanslag IH 2015 en derhalve niet het onderhavige jaar. Volgens de mij ter beschikking staande gegevens bedraagt de WOZ waarde van deze onroerende zaak met de kadastrale aanduiding (…) in totaal € 4.650.000. Belanghebbende heeft hierin een 50% aandeel, zijnde € 2.325.000. In de aangifte wordt in de vermogensopstelling een waarde vermeld van € 702.000. De correctie bedraagt derhalve € 1.623.000.”
16. De aanslag IB/PVV voor het jaar 2017 is, met inachtneming van de bovengenoemde correcties, opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 148.775 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 31.159. De in rekening gebrachte belastingrente bedraagt € 6.063.
Geschil
17. In geschil is of de aanslag IB/PVV voor het jaar 2017 naar een te hoog bedrag is vastgesteld. Meer specifiek is in geschil of:
  • de afschrijving van rentevorderingen op de rekening-courant met respectievelijk D BV, E BV en F BV ten laste van belastbaar resultaat uit overige werkzaamheden, terecht is gecorrigeerd;
  • ter zake van de overdracht van de aandelen C BV aan Stichting B een vervreemdingsverlies uit aanmerkelijk belang in aanmerking dient te worden genomen;
  • de onroerende zaken 1, 2 en 3 in de aanslag voor te hoge waarden in de grondslag sparen en beleggen zijn betrokken.
Voor zover de rechtbank op een of meer van deze punten tot het oordeel komt dat de aanslag naar een te hoog bedrag is opgelegd, doet verweerder een beroep op interne compensatie.
Niet langer in geschil is dat de rente op de rc-vordering op C BV terecht in aanmerking is genomen. Evenmin is in geschil dat de rc-vorderingen op D BV, E BV en F BV betrekking hebben op onzakelijke leningen.
Beoordeling van het geschil
De rente op de rc-vorderingen op D BV, E BV en F BV
18. In HR 25 november 2011, ECLI:NL:HR:2011:BN3442, BNB 2012/37 is geoordeeld dat het debiteurenrisico ten aanzien van een onzakelijke lening in beginsel ook betrekking kan hebben op het risico dat de rente over die lening niet wordt betaald:
“3.3.4. (…) Gelet op het hiervoor overwogene en mede om redenen van eenvoud kan als vuistregel worden gehanteerd dat de rente op de onzakelijke lening wordt gesteld op de rente die de gelieerde vennootschap zou moeten vergoeden indien zij met een borgstelling van de concernvennootschap onder overigens gelijke voorwaarden van een derde zou lenen. Aldus wordt tevens voorkomen dat er met betrekking tot de rentelast verschil ontstaat in het resultaat van de gelieerde vennootschap al naar gelang onder borgstelling van een derde wordt geleend, of rechtstreeks van de concernvennootschap.
(…)
3.3.6.
Het bij een onzakelijke lening in de kapitaalsfeer liggende debiteurenrisico heeft in beginsel mede betrekking op het risico dat de rente over die lening niet wordt betaald. Derhalve valt ook het debiteurenrisico met betrekking tot verschuldigd gebleven rente op een onzakelijke lening in beginsel in de kapitaalsfeer. Hetzelfde geldt immers met betrekking tot de niet betaalde rente indien een vennootschap geld heeft geleend van een derde onder een borgstelling die een met haar gelieerde vennootschap in de kapitaalsfeer heeft verstrekt.”
19. Ten aanzien van het debiteurenrisico met betrekking tot verschuldigd gebleven rente is in HR 15 maart 2013, ECLI:NL:HR:2013:BW6552, BNB 2013/149, voor zover van belang, het volgende overwogen:
“3.5.1. Indien binnen concernverband een renteloze lening wordt verstrekt, zal de winst van de debiteur en de crediteur zodanig moeten worden aangepast dat rekening wordt gehouden met een op zakelijke wijze vastgestelde rente. Aldus wordt bereikt dat het resultaat van de betrokken vennootschappen wordt geschoond van het – in de kapitaalsfeer liggende – rentevoordeel voor de debiteur.
3.5.2.
Het bij een onzakelijke lening in de kapitaalsfeer liggende debiteurenrisico heeft in beginsel mede betrekking op het risico dat de rente over die lening niet wordt betaald. Derhalve valt ook het debiteurenrisico met betrekking tot verschuldigd gebleven rente op een onzakelijke lening in beginsel in de kapitaalsfeer (zie het hiervoor in 3.3.2 vermelde arrest van de Hoge Raad van 25 november 2011). Van een zodanig debiteurenrisico is echter pas sprake nadat de rentetermijn verschuldigd is geworden. Op dat moment ontstaat een rentevordering. Omdat het debiteurenrisico op deze vordering daarna overgaat naar de onbelaste sfeer, zal, teneinde een juiste vaststelling van de totaalwinst te verkrijgen, de vervallen rente moeten worden gewaardeerd op de waarde die op dat moment aan die vordering in het economische verkeer kan worden toegekend. Voor dat bedrag – en niet voor een eventueel hoger nominaal bedrag – zal de rente bij de winstberekening in aanmerking moeten worden genomen.
Wanneer een renteloze lening moet worden aangemerkt als een onzakelijke lening zal in beginsel een rente-imputatie moeten plaatsvinden. Die rente-imputatie zal echter niet verder moeten gaan dan het bedrag dat in geval van een rentedragende lening in aanmerking zou moeten worden genomen, zijnde de waarde van een rentevordering over het desbetreffende tijdvak. Immers, dan wordt zoveel mogelijk gelijkheid gerealiseerd tussen het geval van een renteloze lening en een lening waarbij een zakelijke rente zou zijn overeengekomen.
3.6.
Voor zover de toelichting van middel 8 betoogt dat het Hof ten onrechte geen belang heeft toegekend aan de mogelijkheid dat indien rente verschuldigd zou zijn geweest zo goed als zeker is dat deze nooit zal worden betaald, slaagt het middel. Het Hof heeft het hiervoor in 3.5 overwogene miskend.”
20. Inzake de fiscale behandeling van een onzakelijke lening bij terbeschikkingstelling is in HR 25 november 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP8952, BNB 2012/78, voor zover van belang, het volgende overwogen:
“3.5. Opmerking verdient nog het volgende. Indien de door een aanmerkelijkbelanghouder (hierna: ab-houder) aan de vennootschap waarin hij een aanmerkelijk belang heeft verstrekte geldlening onzakelijk is als bedoeld in onderdeel 3.3 van het heden uitgesproken arrest van de Hoge Raad met nummer 08/05323, LJN BN3442, en de aanvaarding door de ab-houder van het debiteurenrisico berustte op aandeelhoudersmotieven, zal een kwijtschelding van de geldlening als een informele kapitaalstorting moeten worden aangemerkt, ook indien en voor zover de vordering oninbaar is. Immers, het verlies dat de ab-houder bij de kwijtschelding lijdt, vloeit dan voort uit het door hem in zijn hoedanigheid van aandeelhouder aanvaarde debiteurenrisico. Ook voor de debiteur zal in een zodanig geval de kwijtschelding als een informele kapitaalstorting moeten worden aangemerkt. De verkrijgingsprijs in de zin van artikel 4.21 Wet IB 2001 van het aanmerkelijk belang van de ab-houder zal met het bedrag van de als informele kapitaalstorting aan te merken kwijtschelding worden verhoogd.”
21. Eisers stellen dat de termijnen van de eerder op de rc-vorderingen op D BV, E BV en F BV bijgeschreven rente op 31 december 2017 zijn vervallen en dat de WEV van die rentevorderingen nihil bedraagt. Onder verwijzing naar de jaarrekeningen van deze vennootschappen voeren zij daartoe aan, dat deze vennootschappen over een negatief eigen vermogen beschikten, deze niet of nauwelijks over vrij beschikbare liquide middelen beschikten en al jaren verlies leden. F BV heeft bovendien haar bedrijfsactiviteiten al jaren geleden gestaakt, aldus eisers. Volgens eisers is in HR 15 maart 2013, ECLI:NL:HR:2013:BW6552, BNB 2013/149 geoordeeld dat de rentevordering dient te worden gewaardeerd naar de waarde in het economisch verkeer (WEV) voordat de vordering overgaat naar de onbelaste sfeer. In de aangifte zijn daarom de volgende bedragen als negatief resultaat uit ter beschikking gesteld vermogen aangegeven:
D BV 44.102
E BV 66.834
F BV 3.162
C BV
6.717
120.815
Voor zover aflossingen op de rc-vorderingen hebben plaatsgevonden in 2017, moeten deze volgens eisers gezien worden als gedane aflossingen en betalingen over voorgaande jaren.
In het beroepschrift is namens eisers gesteld dat er bij nader inzien geen reden was de rentevordering op C BV af te waarderen.
22. Verweerder betwist dat de rente op voormelde rc-vorderingen kan worden afgeschreven. Hij acht niet aannemelijk dat de debiteuren niet in staat zouden zijn de rente te voldoen en wijst in dit verband op een aflossing die heeft plaatsgevonden op de rc-lening aan D BV en op de bezittingen van de vennootschappen die aangewend zouden kunnen worden ter aflossing van de rentevorderingen. Verweerder stelt voorts dat de door belanghebbende gehanteerde rentepercentages kunnen worden geacht de WEV te vertegenwoordigen, zulks bij gebreke aan inzicht in de rekening-courantovereenkomsten die niet zijn overgelegd. Voor zover een verlies op de rentevorderingen al aannemelijk zou zijn, luidt verweerders standpunt dat het verlies niet aftrekbaar is om de reden dat sprake is van onzakelijke leningen.
23. De rechtbank zal eerst ingaan op de vraag of de WEV van de rentevorderingen nihil bedraagt op het moment dat de rentetermijnen zijn vervallen. Een redelijke verdeling van de bewijslast brengt mee dat eisers aannemelijk maken dat de WEV van de rentevorderingen op D BV, E BV en F BV op het moment dat deze vorderingen ontstaan, nihil is. Vervolgens zal de rechtbank ingaan op de vraag of voor het verschil tussen de WEV en de boekwaarde van die vordering sprake is van negatief resultaat uit ter beschikkingstelling van vermogensbestanddelen.
24. Ten aanzien van D BV overweegt de rechtbank als volgt. De jaarstukken vermelden weliswaar voor 2017 een negatief eigen vermogen van € 4.668.321, maar daarnaast is een positief liquiditeitssaldo / werkkapitaal vermeld van € 2.492.853 terwijl de vennootschap ook een positief fiscaal bedrijfsresultaat rapporteert. Er is daarom geen reden te veronderstellen dat de rentevordering niet voldaan zou kunnen worden. Dat de jaarrekening slechts een kleine post aan liquiditeiten vermeldt, van € 105, doet daaraan niet af. De jaarrekening biedt derhalve geen grond om te veronderstellen dat de rentevordering op D BV waardeloos is geworden. Bovendien zijn er in het onderhavige jaar middelen aangewend om een deel van de rc-vordering op D BV af te lossen met € 109.098 zoals blijkt uit de afname van de rc-vordering naar de standen als vermeld in de aangifte. De rechtbank acht niet aannemelijk dat de betaling voor deze aflossing betrekking heeft op, en derhalve zou moeten worden toegerekend aan, een ander jaar dan 2017. Voorts staat de door verweerder onweersproken gestelde aanwezigheid van diverse activa op de balans naar het oordeel van de rechtbank aan afwaardering van de rentevorderingen in de weg, te meer nu de balans aan de passiefzijde een voorziening vermeld van circa € 6,9 miljoen die in de jaarstukken slechts summier is beschreven.
25. Ook ten aanzien van E BV vermelden de jaarstukken voor 2017 een negatief eigen vermogen, in dit geval groot € 6.062.539. Dit bedrag is voor een groot deel gefinancierd met schulden, waarvan per ultimo 2017 een bedrag van € 2.819.652 wordt gevormd door de rc-schuld aan eiser als vermeld in de aangifte. De jaarstukken vermelden daarnaast een negatief liquiditeitssaldo / werkkapitaal en een fiscaal verlies. Er is wel een positief bedrag aan liquide middelen van € 9.344. Daarnaast beschikt deze vennootschap over activa waarvan verweerder onweersproken heeft gesteld dat deze zouden kunnen dienen ter voldoening van rentevorderingen. De rechtbank overweegt dat gegeven de stelling van verweerder het op de weg van eisers had gelegen om duidelijk te maken waarom de rentevordering niet zou kunnen worden voldaan uit bepaalde activa, zoals bijvoorbeeld de immateriële en financiële vaste activa, handelsdebiteuren en overige vorderingen. Aangezien die duidelijkheid niet is verstrekt, is niet aannemelijk geworden dat de WEV van de rentevordering bij het vervallen van de termijn – door eisers in hun beroepschrift onweersproken gesteld op 31 december 2017 – minder zou bedragen dan de bijgeschreven rente.
26. Ten aanzien van F BV vermelden de jaarstukken voor 2017 een negatief eigen vermogen van € 319.877. Dit bedrag is voor een groot deel gefinancierd met schulden, waarvan per ultimo 2017 een bedrag groot € 319.363 wordt gevormd door de rc-schuld aan de erflater als vermeld in de aangifte. De jaarstukken vermelden daarnaast een negatief liquiditeitssaldo / werkkapitaal en een fiscaal verlies. Er is weliswaar een positief bedrag aan liquide middelen van € 1.986, maar dat is niet toereikend om het volledige bedrag aan rente te kunnen voldoen. Hieruit kan naar het oordeel van de rechtbank worden geconcludeerd dat F BV niet over de middelen beschikte om rente op haar rekening-courantschuld aan eisers geheel te voldoen. Aangezien de termijn van de rentevordering, naar eisers onweersproken hebben gesteld, is geëindigd op 31 december 2017, acht de rechtbank met hetgeen partijen daaromtrent hebben gesteld aannemelijk dat de WEV van de rentevordering niet meer dan € 1.986 bedraagt.
27. Hetgeen hiervoor in 24 tot en met 26 is overwogen leidt tot de conclusie dat niet kan worden gesteld dat WEV van de rentevordering op D BV respectievelijk E BV, minder bedraagt dan de bijgeschreven rente waaruit die vorderingen zijn ontstaan. Ten aanzien van de rentevordering op F BV luidt de conclusie dat deze € 1.986 bedraagt. Vervolgens is aan de orde of, naar eisers hebben gesteld, de verminderde waarde van de rentevordering op F BV, die voortkomt uit een debiteurenrisico, ten laste komt van het resultaat uit ter beschikking gestelde vermogensbestanddelen, dan wel, volgens het standpunt van verweerder, die afwaardering juist vanwege het debiteurenrisico, niet mogelijk is.
28. Uit de hiervoor onder 18 tot en met 20 aangehaalde jurisprudentie leidt de rechtbank af dat ingeval op een onzakelijke lening bijgeschreven rente, de rentetermijn is verstreken, de alsdan bestaande rentevordering moet worden gewaardeerd op de WEV. Voor zover die waardering leidt tot een lagere waarde dan de nominaal bijgeschreven rente, komt dat verschil ten laste van het resultaat uit ter beschikking gestelde vermogensbestanddelen op het moment dat de rentevordering overgaat naar de onbelaste sfeer vanwege het op de rentevordering gelopen debiteurenrisico. Voor de rentevordering op F BV heeft dit tot gevolg dat de correctie inzake de rente op de rc-vordering voor een bedrag van € 1.176 (€ 3.162 -/- € 1.986) vervalt. Dit houdt tevens in dat in zoverre de tbs-vrijstelling buiten toepassing dient te blijven.
Overdracht aandelen C BV aan Stichting B
29. Namens erflater is in de bezwaarfase (zie onder 3) verzocht de aanslag te verminderen met een vervreemdingsverlies uit aanmerkelijk belang ter zake van de overdracht onder 2. Volgens erflater was de waarde van het aanmerkelijk belang in C BV ten tijde van de overdracht nihil en bedroeg de verkrijgingsprijs van dit aanmerkelijk belang € 15.882. Gegeven de overdrachtsprijs van € 1 heeft erflater het vervreemdingsvoordeel gesteld op negatief € 15.881. Artikel 4:24, eerste lid, Wet IB 2001 is volgens eisers niet van toepassing en zij wijzen erop dat in de statuten is bepaald dat Stichting B haar vermogen moet aanwenden voor “
het in stand houden van de culturele positie van [bedrijfsnaam 6] in de binnenstad van [plaats]”. Belanghebbende kan het vermogen en middelen van de stichting niet aanwenden ten eigen bate en heeft daarmee zijn belang bij de aandelen in C BV volledig verloren.
30. Verweerder betwist dat een negatief voordeel uit aanmerkelijk belang in aanmerking kan worden genomen. Ten eerste weerspreekt verweerder dat het aandelenbelang in C BV geen positieve waarde zou vertegenwoordigen. Hij wijst er daarbij op dat C BV deelnemingen bezit waarin door middel van actieve ondernemingen positieve waarde wordt gecreëerd, zoals door H BV waarin C BV een belang heeft van 54%. Ten tweede wijst verweerder erop dat de statuten van Stichting B waarvan erflater enig bestuurder is, zo ruim zijn geformuleerd dat deze statuten erflater de bevoegdheid geven om vrijelijk over het vermogen van Stichting B te beschikken als ware het zijn eigen vermogen. Op grond van het bepaalde in artikel 4:24, eerste lid, Wet IB 2001 kan daarom een vervreemdingsvoordeel volgens verweerder niet in aanmerking worden genomen.
Voorts heeft verweerder, eveneens onder verwijzing naar de statuten en naar het bestuur van Stichting B, het standpunt ingenomen dat met het overdragen van erflaters aanmerkelijk belang in C BV aan Stichting B sprake is van een afgezonderd particulier vermogen in de zin van artikel 2:14a Wet IB 2001, op grond waarvan het vermogen van Stichting B aan erflater dient te worden toegerekend.
31. Op grond van artikel 4:19 Wet Pro IB 2001 wordt – voor zover van belang – een vervreemdingsvoordeel gesteld op de overdrachtsprijs minus de verkrijgingsprijs. Aangezien eisers stellen dat het vervreemdingsvoordeel behaald met de overdracht onder 2 negatief is, rust op eisers de last dit negatieve vervreemdingsvoordeel aannemelijk te maken. Gegeven de gemotiveerde weerspreking door de inspecteur van de stelling van eisers, had het op hun weg gelegen aan de hand van een toelichtende berekening en het geven van inzicht in niet geactiveerde goodwill en stille reserves, aannemelijk te maken waarop de overdrachtsprijs van € 1 is gebaseerd. Dat hebben zij nagelaten. Met hetgeen zij wel hebben aangevoerd zijn zij naar het oordeel van de rechtbank niet erin geslaagd het negatieve vervreemdingsvoordeel aannemelijk te maken.
Waarde onroerende zaken 1, 2 en 3
32. Op grond van artikel 5.19, eerste lid, van de Wet IB 2001 worden onroerende zaken voor de vaststelling van het belastbare inkomen uit sparen en beleggen als bezitting in aanmerking genomen voor de WEV. De WEV is de prijs die door de meestbiedende koper besteed zou worden bij aanbieding ten verkoop op de voor de zaak meest geschikte wijze na de beste voorbereiding.
33. Verweerder heeft voor de waarde van de onroerende zaken om praktische reden aangesloten bij de vastgestelde WOZ-waarden. Hoewel de WOZ-waarde niet steeds overeen komt met de WEV doordat bij de vaststelling van de WOZ-waarde ficties worden gehanteerd, wil dat nog niet zeggen dat daardoor de WOZ-waarde hoger is dan de WEV. Zo kan dit anders zijn bij een bedrijfsmatig gebruikte onroerend zaak, afhankelijk van de condities waarvoor het aan een derde ter beschikking is gesteld.
34. Eisers stellen dat de WEV van de onroerende zaken 1, 2 en 3 lager is dan de WOZ-waarde. Met het oog op hetgeen hiervoor is overwogen, brengt een redelijke verdeling van de bewijslast mee dat het aan eisers is aannemelijk te maken dat de WEV lager is dan de vastgestelde WOZ-waarden.
35. Ter zake van onroerende zaak 1 en 2 zijn door de erflater in de bezwaarfase berekeningen overgelegd waarbij de zogenoemde NAR-methode respectievelijke de HwK-methode zijn gehanteerd. Uitgaande van die berekeningen komen eisers op een waarde van € 1.143.371 voor onroerende zaak 1 en een waarde van € 795.663 voor onroerende zaak 2.
36. Naar het oordeel van de rechtbank hebben eisers de door hen bepleite WEV van onroerende zaken 1 en 2 niet aannemelijk gemaakt. De NAR-methode zoals deze is gehanteerd voor onroerende zaak 1, geeft een rendement voor een bepaald moment of periode en kan weliswaar onderdeel vormen van de WEV, echter uit de berekeningen en hetgeen eisers hebben aangevoerd kan niet worden opgemaakt waar de verschillende elementen van de NAR-methode op zijn gebaseerd dan wel hoe deze tot stand zijn gekomen. Bovendien zijn de daarbij gehanteerde huurovereenkomsten niet aan verweerder overgelegd. Dit laatste geldt ook met betrekking tot de huurwaarde-kapitalisatiemethode die kennelijk de berekening vormt voor onroerende zaak 2.
Daarnaar gevraagd ter zitting heeft de gemachtigde van eisers verklaard dat de in de aangifte gehanteerde waarden de waarden zijn waarvoor erflater naar zijn mening de onroerende zaken zou kunnen verkopen. De rechtbank overweegt dat met een dergelijke persoonlijke opvatting de gehanteerde waarde niet aannemelijk is gemaakt.
Eisers hebben daarnaast gewezen op het faillissement van de huurder van onroerende zaak 1 in 2019, maar hebben niet toegelicht hoe dat zijn schaduw achteruit zou werpen en een waardedrukkende factor in het onderhavige jaar zou zijn. Voorts gaat de rechtbank voorbij aan de stelling van eisers dat er voor het bedrijvencomplex praktisch geen alternatieve aanwendings- en gebruiksmogelijkheden nu zij deze stelling in het geheel niet hebben onderbouwd.
Hetzelfde geldt ten aanzien van het faillissement van de huurder van onroerende zaak 2 in 2019. Dit geldt ook voor de stelling van eisers dat de bij het bedrijvencomplex behorende woning al enige tijd leeg staat; daarmee is nog niet gezegd dat de WEV lager zou zijn dan de door de inspecteur gehanteerde WOZ-waarde die betrekking heeft op de gehele onroerende zaak.
Bij de vorming van haar oordeel heeft de rechtbank voorts in overweging genomen dat eisers weliswaar betogen dat de opstallen vrijwel alleen een sloopwaarde hebben, maar dat deze wel voor € 4.800.000 zijn verzekerd.
37. Ter zake van onroerende zaak 3 stellen eisers primair dat moet worden aangesloten bij de afspraken die zijn vastgelegd in de brief van 9 maart 1999 (zie onder 9). Eisers voeren daarbij aan dat verweerder deze afspraken heeft gevolgd tot (als verklaard op zitting) of tot en met (als vermeld in het beroepschrift) de aanslag IB/PVV voor het jaar 2016, en doen een beroep op het vertrouwensbeginsel. Subsidiair stellen eisers dat onroerende zaak 3 moet worden gewaardeerd op (afgerond) € 2.725.000, waarvan de helft ofwel € 1.362.500 aan de erflater dient te worden toegerekend. Eisers hebben deze waarde berekend door op een totaalwaarde van € 4.711.998 correcties te hanteren voor naamsbekendheid (€ 235.600) en de aanwezigheid van een serre die niet in eigendom van de erfalter was (€ 1.750.000).
38. De rechtbank verwerpt het primaire standpunt van eisers: in de brief van 9 maart 1999 valt niet een afspraak of anderszins een toezegging te lezen die verweerder zou binden voor de jaren na 1999. Zo is in het onderwerp van de brief al een duidelijke begrenzing in de tijd aangegeven met de vermelding ‘compromis IB 1993-1995’. Hoewel deze onderwerpaanduiding doet vermoeden dat het compromis geldt tot en met 1995, is in de tekst van de brief vermeld dat het compromis geldt tot 1999. De rechtbank is dan ook van oordeel dat met de brief van 9 maart 1999 door verweerder geen toezegging is gedaan met betrekking tot de fiscale behandeling van onroerende zaak 3 voor het onderhavige jaar. Dat de in de brief opgenomen afspraak door erflater is toegepast tot of tot en met het jaar 2016, en verweerder dat jaar en voorafgaande jaren niet heeft gecorrigeerd, maakt nog niet dat er voor het onderhavige jaar een toezegging is gedaan de afspraak ook voor latere jaren toe te passen (vgl. HR 17 januari 2003, ECLI:NL:HR:2002:AE4810, BNB 2003/188).
39. Wat het subsidiaire standpunt betreft overweegt de rechtbank als volgt. Verweerder is voor de waarde van onroerende zaak 3 aangesloten bij de WOZ-waarde voor dat jaar van € 4.650.000. Eisers hebben bijna hetzelfde bedrag in hun waardering tot uitgangspunt genomen (€ 4.711.998), waarop zij een tweetal afslagen toepassen. De afslag voor naamsbekendheid volgt het de rechtbank niet. De naamsbekendheid heeft vooral betrekking op de onderneming die in de onroerende zaak wordt uitgeoefend, in dit geval een viersterrenhotel met restaurant. Eisers hebben niet aannemelijk gemaakt dat de naamsbekendheid van de onderneming die wordt uitgeoefend in onroerende zaak 3, heeft geleid tot waardevermindering van de onroerende zaak als zodanig.
Ook de afslag voor het niet in eigendom hebben van een serre volgt de rechtbank niet. De serre is weliswaar geplaatst op gemeentegrond, maar staat daar al vele jaren en het is niet aannemelijk dat deze op last van de gemeente verwijderd zal moeten worden.
40. Hetgeen hiervoor onder 37 tot en met 39 is overwogen leidt de rechtbank tot de conclusie dat verweerder de waarde van onroerende zaak 3 niet te hoog heeft vastgesteld.
Beroep op interne compensatie
41. Verweerder heeft bij wege van beroep op interne compensatie naar voren gebracht dat onroerende zaak 3 had moeten worden aangegeven als – middellijk – ter beschikking gesteld vermogen aan C BV (box 1) in plaats van als bezitting voor de rendementsgrondslag in box 3. Op zichzelf zijn eisers het hiermee eens, zij het dat dit niet tot een hogere aanslag zou leiden, aangezien dan ook aan deze bezitting toerekenbare kosten in aanmerking zouden moeten worden genomen. De rechtbank overweegt daaromtrent als volgt.
42. Gegeven de verhuur van onroerende zaak 3 aan H BV hebben partijen zich terecht op het standpunt gesteld dat deze onroerende zaak als ter beschikking gesteld vermogen zou moeten zijn aangegeven – althans tot het moment waarop C BV is overgedragen aan Stichting B. Aangezien de aan deze onroerende zaak toerekenbare kosten (€ 71.375) meer bedragen dan de huurinkomsten (€ 70.775) en dit als zodanig niet is weersproken door verweerder, blijft de terbeschikkingstelling zonder gevolgen voor de aanslag. Daarbij weegt de rechtbank mee dat gesteld noch gebleken is dat ter zake van onroerende zaak 3 enige boekwinst is gerealiseerd.
Vermindering aanslag
43. Hetgeen hiervoor is overwogen onder 26 tot en met 28 leidt tot de volgende berekening van het belastbare inkomen uit werk en woning. Het gedeeltelijk vervallen van de correctie inzake de rc-vordering op F BV met € 1.176, leidt tot een vermindering van de correctie inzake het ter beschikking gestelde vermogen, groot € 105.282 (€ 120.815 -/- € 1.176 -/- tbs-vrijstelling van € 14.357). Dit resulteert in een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 147.740 (inkomen volgens de aangifte € 42.458 + correctie van € 105.282).
44. Tegen de in rekening gebrachte belastingrente hebben eisers geen afzonderlijke gronden aangevoerd. Dat in strijd met enige regel van geschreven of ongeschreven recht rente in rekening is gebracht, is gesteld noch gebleken. Wel dient de rentebeschikking te worden verminderd overeenkomstig de vermindering van de aanslag.
45. Gelet op wat hiervoor is overwogen dient het beroep gegrond te worden verklaard.
Proceskosten
46. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eisers gemaakte proceskosten. Voor de vaststelling van de vergoeding merkt de rechtbank onderhavige zaak en zaak SGR 24/4619 aan als samenhangend, nu de rechtbank de zaken nagenoeg gelijktijdig heeft behandeld, in deze zaken door dezelfde perso(o)n(en) rechtsbijstand is verleend en zijn(hun) werkzaamheden in elk van de zaken nagenoeg identiek zijn geweest. De rechtbank stelt de kostenvergoeding op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.868 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934, een wegingsfactor 1 en factor 1 omdat sprake is van minder dan vier samenhangende zaken). Voor de bezwaarfase is niet om een kostenvergoeding verzocht.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt de uitspraak op bezwaar;
- vermindert de aanslag IB/PVV voor het jaar 2017 tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 147.740 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 31.159;
- vermindert de beschikking belastingrente dienovereenkomstig;
- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eisers tot een bedrag van € 1.868;
- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 51 aan eisers te vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.C.H.M. Lips, voorzitter, en mr. M.J. Pelinck en mr. P.E. Halprin, leden, in aanwezigheid van mr. T. Blauw, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 20 april 2026.
griffier voorzitter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof Den Haag (team belastingrecht).
Dat kan digitaal via www.rechtspraak.nl, daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan ook door verzending van een brief aan het gerechtshof Den Haag (belastingkamer), Postbus 20302, 2500 EH Den Haag.
Bij het instellen van het hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:
1 - bij het hogerberoepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;
2 - het hogerberoepschrift is, indien het op papier wordt ingediend, ondertekend.
Verder vermeldt u ten minste het volgende:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de datum van verzending;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;
d. de redenen waarom u het niet eens bent met de uitspraak (de gronden van het hoger beroep).