Art. 8 WvW 1994Art. 11 Regeling maatregelen rijvaardigheid en geschiktheid 2011Art. 12 Regeling maatregelen rijvaardigheid en geschiktheid 2011Art. 23 Regeling maatregelen rijvaardigheid en geschiktheid 2011Art. 130 WvW 1994
AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Beoordeling onderzoek naar rijgeschiktheid na weigering bloedonderzoek
Eiser werd verdacht van het rijden onder invloed en weigerde mee te werken aan een bloedonderzoek. Verweerder legde daarop een onderzoek naar zijn rijgeschiktheid op. Eiser betwistte dat hij bestuurder was en stelde dat er onregelmatigheden waren in de processen-verbaal.
De rechtbank ging uit van de juistheid van het proces-verbaal, waarin werd vastgesteld dat eiser met hoge snelheid reed, rooddoorlopen ogen had, een alcohollucht werd waargenomen en hij weigerde mee te werken aan tests. De rechtbank oordeelde dat het voldoende aannemelijk was dat eiser bestuurder was en onder invloed handelde.
De rechtbank verwierp de bezwaren van eiser over de bevoegdheid van verbalisanten en de procedurele aspecten. Het beroep werd ongegrond verklaard, waarmee het onderzoek naar de geschiktheid van eiser werd bevestigd.
Uitkomst: Het beroep van eiser wordt ongegrond verklaard en het onderzoek naar zijn rijgeschiktheid wordt bevestigd.
Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 25/6694
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 31 maart 2026 in de zaak tussen
[eiser] , uit [woonplaats] , eiser,
en
de algemeen directeur van het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen, verweerder
(gemachtigde: mr. J.J. Kwant).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het besluit tot het opleggen van een onderzoek naar zijn geschiktheid.
1.1.
Verweerder heeft met het besluit van 17 april 2025 besloten dat eiser een onderzoek moet laten doen naar zijn geschiktheid. Met het bestreden besluit van 24 juli 2025 op het bezwaar van eiser is verweerder bij dit besluit gebleven.
1.2.
Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 11 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en de gemachtigde van verweerder.
Beoordeling door de rechtbank
Waar gaat deze zaak over?
2. De politie eenheid Den Haag heeft verweerder medegedeeld dat het vermoeden bestaat dat eiser niet langer beschikt over de vereiste rijvaardigheid en/of lichamelijk of geestelijke geschiktheid. [1]
2.1.
Deze mededeling is opgenomen in een proces-verbaal van 12 maart 2025 die is opgemaakt wegens verdenking van overtreding van artikel 8 vanPro de Wegenverkeerswet 1994 (WvW 1994). In het proces-verbaal is vermeld dat eiser met hoge snelheid wegreed toen hij het politievoertuig op de [straatnaam 1] in [plaats 1] in de tegengestelde richting zag rijden en vervolgens zag draaien. De verbalisanten konden het voertuig amper bijhouden. In een woonwijk zagen de verbalisanten het voertuig uiteindelijk parkeren. Toen eiser werd aangesproken door de verbalisant, verklaarde hij onder meer niet te hebben gereden en al even geparkeerd te staan. In het proces verbaal staat verder opgenomen dat eiser rooddoorlopen ogen had, dat de verbalisanten een alcohollucht roken en hoorden dat hij met dubbele tong sprak. De verbalisant heeft eiser zijn rijbewijs gevorderd. Hierop heeft eiser geantwoord: “Ik werk helemaal nergens aan mee”. De verbalisant wilde een blaastest en een speekseltest afnemen, maar hoorde eiser zeggen dat hij nergens aan mee ging werken. Vervolgens is eiser gevraagd toestemming te verlenen tot het verrichten van een bloedonderzoek. Ook dit weigerde eiser. Hierna is op eiser op het bureau bevolen zich te onderwerpen aan een bloedonderzoek als bedoeld in artikel 8 vanPro de WvW 1994, waarbij eiser is meegedeeld dat een weigering een misdrijf oplevert. [2] Aan dit bevel gaf eiser geen gevolg.
2.2.
Aan eiser zou gelet op de weigering om mee te werken aan een bloedonderzoek een Educatieve Maatregel Alcohol en verkeer (EMA) moeten worden opgelegd. Maar omdat eiser in de afgelopen vijf jaar al aan een EMA heeft deelgenomen, komt hij hier nu niet meer voor in aanmerking. [3] Verweerder heeft daarom aan eiser een onderzoek naar zijn geschiktheid, meer in het bijzonder naar zijn alcoholgebruik, opgelegd. [4]
Wat vindt eiser in beroep?
3. Eiser stelt zich allereerst op het standpunt dat hij niet kan worden aangemerkt als bestuurder in de zin van de WvW 1994. Eiser heeft een bankafschrift overgelegd waaruit blijkt dat hij om 00.33 eten heeft betaald bij de McDonald’s bij [plaats 2] . Hierna is hij in 7 minuten naar de [straatnaam 2] gereden. Hij kwam daar om 00.40 uur aan en heeft zijn auto geparkeerd. Eisers auto stond al lange tijd stil (ruim 10 minuten), toen eiser werd benaderd door de verbalisanten. Eiser zat in zijn auto te eten en maakte geen aanstalten om te gaan rijden. Eiser verwijst hierbij naar jurisprudentie waaruit volgt dat het enkele aantreffen van iemand op de bestuurdersstoel van een geparkeerde en stilstaande auto, waarvan de motor draaide, onvoldoende is om iemand als bestuurder aan te merken. [5] Dat zijn auto om 00.45 uur op de [straatnaam 1] in [plaats 1] is gezien kan niet. Want hij kan onmogelijk op beide plekken tegelijkertijd zijn geweest. Daarnaast had hij ook niets te zoeken op de [straatnaam 1] . Dat ligt niet op de route van de McDonald’s in [plaats 2] naar de [straatnaam 2] in [plaats 1] .
4. Eiser betwist verder dat er een psychomotorische test (PMT) is afgenomen, dat aan hem gevraagd is mee te werken aan een blaastest en of een speekseltest en dat hem is bevolen mee te werken aan een bloedonderzoek. Eiser verwijst hierbij naar tegenstrijdigheden en onregelmatigheden in de verschillende verklaringen van de verbalisanten. Zo wisselt de grondslag van de aanhouding, was de verbalisant die het bevel heeft gegeven hiertoe niet bevoegd, wisselt het moment waarop en de plaats waarbij het bevel is gegeven in de verschillende processen-verbaal, en blijkt uit het proces-verbaal niet dat daadwerkelijk een vordering tot een speekseltest is gedaan. Eiser merkt ook op dat als een bevel is gegeven, het logisch is dat dat niet tot hem is doorgedrongen omdat hij met geweld uit zijn auto is gehaald. Een bevel mag bovendien alleen gegeven worden, als het hem eerst om medewerking is gevraagd en als er een vermoeden is dat eiser een andere stof dan alcohol zou hebben gebruikt. Het proces-verbaal meldt verder ten onrechte niet op grond waarvan het vermoeden bestond dat eiser meer dan alcohol zou hebben gebruikt. Een bevel tot bloedtest mag verder alleen gegeven worden in gevallen van artikel 163, vierde lid, van de WvW 1994. Daarnaast is niet gebleken dat ondubbelzinnig kenbaar is gemaakt dat eiser verplicht was medewerking te verlenen. Eiser heeft wel verklaard dat hij niet wilde meewerken, maar dit betrof alleen het niet willen tonen van zijn identiteitsbewijs. Het proces-verbaal meldt verder ten onrechte niet op grond waarvan het vermoeden bestond dat eiser meer dan alleen alcohol zou hebben gebruikt. Bovendien is het proces-verbaal niet ondertekend door de hulpofficier van justitie.
Wat zijn de regels?
5. Artikel 131, eerste lid, onder a, van de WvW 1994 bepaalt dat indien een schriftelijke mededeling als bedoeld in artikel 130, eerste lid, is gedaan, verweerder in de bij ministeriële regeling aangewezen gevallen betrokkene de verplichting oplegt zich binnen een daarbij vastgestelde termijn te onderwerpen aan educatieve maatregelen ter bevordering van de rijvaardigheid of geschiktheid.
5.1.
In de Regeling maatregelen rijvaardigheid en geschiktheid 2011 (de Regeling) zijn nadere regels gesteld. Verweerder legt gelet op artikel 11, eerste lid, sub a, van de Regeling een EMA op indien betrokkene heeft geweigerd mee te werken aan een bloedonderzoek als bedoeld in artikel 8, tweede of derde lid, van de WvW 1994.
5.2.
Op grond van artikel 12, aanhef en onder c, van de Regeling komt betrokkene niet in aanmerking voor de EMA indien hij daar in de afgelopen vijf jaar al aan heeft deelgenomen. Artikel 23, eerste lid, aanhef en onder e, van de Regeling, bepaalt vervolgens dat indien betrokkene op grond van artikel 12 nietPro in aanmerking komt voor een EMA, verweerder besluit dat de betrokkene zich dient te onderwerpen aan een onderzoek naar de geschiktheid, bedoeld in artikel 131, eerste lid, van de WvW 1994.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
6. De vraag die bij de rechtbank voorligt is of verweerder eiser een onderzoek naar zijn geschiktheid heeft mogen opleggen.
7. Volgens vaste rechtspraak [6] mag een bestuursorgaan, in dit geval verweerder, in beginsel uitgaan van de juistheid van de bevindingen in een op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakt en ondertekend proces-verbaal, voor zover deze eigen waarnemingen van de opsteller van het proces-verbaal weergeven. Indien die bevindingen worden betwist, zal moeten worden onderzocht of er, gelet op de aard en inhoud van die betwisting, grond bestaat voor zodanige twijfel aan die bevindingen dat deze niet of niet volledig aan de melding als bedoeld in artikel 130, eerste lid, van de WvW 1994 ten grondslag kunnen worden gelegd. In dit uitgangspunt ligt besloten dat verbalisanten van de politie als ervaringsdeskundigen voldoende in staat moeten worden geacht te observeren en te registreren en er (in het algemeen) geen belang bij hebben om in het proces-verbaal onjuistheden op te nemen of relevante omstandigheden weg te laten.
8. De rechtbank stelt vast dat het proces-verbaal ‘rijden onder invloed’ [7] (het proces-verbaal) op ambtseed is opgemaakt, zodat in beginsel van de juistheid ervan mag worden uitgegaan. Eiser betwist de inhoud van het proces-verbaal en de andere door verweerde overgelegde processen-verbaal.
9. Indien uit het proces-verbaal een vermoeden van ongeschiktheid tot het besturen van een motorrijtuig als bedoeld in artikel 130, eerste lid, van de WvW 1994, kan worden afgeleid, vormt dit voldoende grondslag om een bestuursrechtelijke maatregel op te leggen. Voor het opleggen van een dergelijke maatregel hoeft, anders dan in het strafrecht, niet wettig en overtuigend te worden bewezen dat eiser de bestuurder van de auto was. Voor het opleggen van het onderzoek is voldoende dat op basis van de geconstateerde feiten met voldoende mate van zekerheid komt vast te staan dat eiser onder invloed van alcohol als bestuurder van een motorvoertuig is opgetreden. [8]
9.1.
In het proces-verbaal is opgenomen dat de verbalisanten de auto achtervolgd hebben (van de [straatnaam 1] naar de [straatnaam 2] ) en zij de auto zagen parkeren. Eiser heeft hier tegenover gesteld dat hij al enige tijd geparkeerd stond op de [straatnaam 2] en dat uit de door de verbalisanten gestelde route blijkt dat het niet eisers auto was die zij hebben zien rijden. Deze route was namelijk tijd-technisch niet haalbaar gelet op zijn pinbetaling bij de McDonald’s, de tijd die hij al geparkeerd stond en het tijdstip van de aanhouding.
9.2.
Het is de rechtbank niet gebleken dat de in het proces-verbaal gestelde route niet binnen het tijdframe (betaling bij de McDonalds, eerste signalering op de [straatnaam 1] en aanhouding op de [straatnaam 2] ) haalbaar is. Daarbij komt dat er met een hogere snelheid dan is toegestaan, is gereden. Bovendien hebben de verbalisanten waargenomen dat de auto geparkeerd werd in een parkeervak en zat eiser achter het stuur, toen zij de auto benaderden. Naar het oordeel van de rechtbank is hiermee met een voldoende mate van zekerheid komen vast te staan dat eiser de auto heeft bestuurd.
10. Eiser is in eerste instantie aangehouden omdat hij zijn identiteitsbewijs niet wilde overhandigen. Dat de verbalisanten hierna aanwijzingen zagen dat er sprake was van overtreding van artikel 8 vanPro de WvW 1994 en hem (ook) hiervoor aanhielden, maakt niet dat de processen-verbaal niet juist zijn. De rechtbank heeft ook geen andere aanwijzingen die leiden tot twijfel aan de bevindingen in de processen-verbaal. In de processen-verbaal staat de verbalisant eiser eerst gevorderd heeft zijn identiteitsbewijs te overhandigen. Hierna heeft de verbalisant eiser om 00.58 uur gevorderd mee te werken aan een voorlopig onderzoek van uitgeademde lucht en mee te werken aan een speekseltest. In het proces-verbaal ‘rijden onder invloed’ is vermeld dat de verbalisant bij eiser bloeddoorlopen ogen, een woordenvloed en agressief en snel geïrriteerd gedrag waarnam (PMT), waardoor de verbalisant vermoedde dat eiser naast alcoholhoudende dranken, ook onder de invloed was van een stof als bedoeld in artikel 8, eerste lid of vijfde lid, van de WvW 1994. Hierna is eiser aangehouden voor overtreding van artikel 8 vanPro de WvV 1994. Eiser is vervolgens gevraagd toestemming te verlenen voor een bloedonderzoek. Eiser wilde hieraan niet meewerken. Verbalisanten hebben eiser vervoerd naar het bureau [plaats 3]. Op bureau [plaats 3] heeft om 01.21 uur een daartoe in de Regeling alcohol, drugs en geneesmiddelen in het verkeer aangewezen ambtenaar, eiser bevolen om mee te werken aan een bloedonderzoek. [9] Eiser is meegedeeld dat een weigering een misdrijf oplevert, maar gaf geen gevolg aan dit bevel. Daarnaast is eiser ook door een brigadier driemaal bevolen om mee te werken aan een bloedproef. Eiser heeft ook deze medewerking - driemaal - geweigerd. [10] Hierna is eiser voorgeleid aan de hulpofficier van justitie.
11. Een onderzoek van de psychomotorische functies en de oog- en spraakfuncties voor het verkrijgen van een vermoeden van het gebruik van andere stoffen dan of naast alcohol, is gericht op het vaststellen van uiterlijke kenmerken. [11] Hierbij wordt gekeken naar de ogen, pupillen, spraak en motoriek. In het proces-verbaal zijn de door verbalisant bij eiser waargenomen kenmerken ten aanzien van ogen, spraak en gedrag opgenomen. Deze test was positief, waarna bij de verbalisant een vermoeden bestond dat er bij eiser naast alcohol, ook een andere stof/stoffen in het spel was. Eiser is daarom gevraagd om toestemming voor het verrichten van een bloedonderzoek [12] en op een later tijdstip op het bureau bevolen, door een - anders dan eiser stelde - daartoe bevoegde ambtenaar, om mee te werken aan een bloedonderzoek. [13] Hierbij is eiser gewezen op de gevolgen van het niet meewerken aan een bloedonderzoek. Dat de processen-verbaal op dit punt tegenstrijdig zijn of dat er onregelmatig is verklaard, zoals eiser stelt, is de rechtbank niet gebleken. Eiser heeft nog op zitting aangevoerd dat uit bodycambeelden in de strafrechtelijke procedure is gebleken dat er op locatie, anders dan in het proces-verbaal staat, niet is gevorderd om mee te werken aan een blaastest of een speekseltest. Wat hiervan ook zij; op het bureau is eiser bevolen mee te werken aan een bloedonderzoek en eiser heeft dit geweigerd. Eiser heeft hierover desgevraagd ter zitting verklaard dat dit hem niet bijstaat. De rechtbank is van oordeel dat dit onvoldoende is om te twijfelen aan de bevindingen in het proces-verbaal dat eiser niet heeft meegewerkt aan een bloedonderzoek als bedoeld in artikel 8, tweede of derde lid, van de WvW 1994. Verweerder mocht daarom uitgaan van de juistheid daarvan en het proces-verbaal ten grondslag leggen aan de oplegging van het onderzoek.
Conclusie en gevolgen
12. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat verweerder het onderzoek aan eiser heeft mogen opleggen. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. W.A. Timmer, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Hoeijmans, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 31 maart 2026.
de griffier is buiten staat de
uitspraak te ondertekenen
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
reffen.
Voetnoten
1.Een mededeling als bedoeld in artikel 130 vanPro de WvW 1994.
2.Uit het proces-verbaal met het nummer: PL1500-2025077738-l.
3.Aan eiser is op 19 maart 2023 ook een proces-verbaal opgemaakt wegens verdenking van overtreding van artikel 8 vanPro de WvW 1994.
4.Zie de artikelen 11, eerste lid onder c, artikel 12, lid c, en artikel 23, eerste lid sub e, van de Regeling.
6.Zie bijvoorbeeld de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 19 april 2023, ECLI:NL:RVS:2023:1519 en van 27 maart 2019, ECLI:NL:RVS:2019:942.
9.Het proces-verbaal van bevindingen, met het nummer: PL1500-2025077738-1.
10.Het proces-verbaal van bevindingen, met het nummer: PL1500-2025077738-7.
11.Zie artikel 160, vijfde lid, onder a, WvW 1994, in samenhang gelezen met artikel 4, eerste lid van het Besluit alcohol, drugs en geneesmiddelen in het verkeer en artikel 2, tweede lid, van de Regeling alcohol, drugs en geneesmiddelen in het verkeer.
12.Overeenkomstig artikel 163, vierde lid, van de WvW 1994. Toestemming voor bloedonderzoek kan worden gevraagd als het vermoeden bestaat dat de verdachte onder invloed is van een of meer middelen, bedoeld in artikel 8, eerste of vijfde lid (https://wetten.overheid.nl/BWBR0006622/2026-01-01), of een combinatie van die middelen met alcohol,
13.Zie artikel 163, vijfde lid, van de WvW 1994. Als de toestemming op grond van het vierde lid niet wordt verleend, kan de bestuurder worden bevolen zich te onderwerpen aan een bloedonderzoek.