Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:9614

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
17 april 2026
Publicatiedatum
21 april 2026
Zaaknummer
NL25.3262
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8 EVRMArt. 6:19 AwbArt. 8:57 AwbArt. 8:72 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging besluit weigering mvv op grond van artikel 8 EVRM wegens onvoldoende belangenafweging

Eiser, een jongvolwassene van Pakistaanse nationaliteit, verzocht om een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) als familie- of gezinslid bij zijn vader in Nederland. De minister wees dit verzoek af op grond van artikel 8 van Pro het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM). De rechtbank behandelde het beroep en constateerde in een tussenuitspraak dat de minister de belangenafweging niet zorgvuldig had voorbereid en onvoldoende had gemotiveerd, met name ten aanzien van de gezinsbanden met de moeder en minderjarige zussen van eiser.

De minister kreeg de gelegenheid om de gebreken te herstellen en nam een nieuw besluit, dat opnieuw tot afwijzing leidde. De rechtbank oordeelde dat hoewel de minister nu wel alle relevante feiten had betrokken, hij een aantal gebreken niet voldoende had hersteld. Zo woog de minister onjuist mee dat eiser niet aan de toelatingsvoorwaarden voldoet en gaf hij onvoldoende gewicht aan het jongvolwassenenbeleid en de hechte banden met de zussen.

De rechtbank vernietigde het bestreden besluit en gaf de minister zes weken de tijd om een nieuw besluit te nemen, waarbij rekening moet worden gehouden met de uitspraak. Tevens werd de minister veroordeeld tot betaling van proceskosten aan eiser. De rechtbank benadrukte de terughoudende toetsing van belangenafwegingen en het belang van een zorgvuldige en evenwichtige beoordeling in verblijfszaken.

Uitkomst: De rechtbank vernietigt het bestreden besluit en draagt de minister op binnen zes weken een nieuw besluit te nemen waarbij rekening wordt gehouden met deze uitspraak.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
Zaaknummer: NL25.3262
V-nummer: [v-nummer]

einduitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] ,

geboren op [geboortedag 1] 2000, van Pakistaanse nationaliteit, eiser
(gemachtigde: mr. E.C. Gelok),
en

de minister van Asiel en Migratie, de minister

(gemachtigde: mr. N.A. Vogelaar).

Inleiding

1. In deze einduitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn aanvraag om een mvv [1] onder de beperking ‘verblijf als familie- of gezinslid bij [persoon 1] ’ (referent) op grond van artikel 8 van Pro het EVRM [2] . Referent is zijn vader.
1.1.
De rechtbank heeft het beroep op 14 augustus 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser, zijn moeder, tante, oudste zus en A. Hairan als tolk in de taal Urdu. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Voorafgaand aan de zitting, ook op 14 augustus 2025, heeft de rechter in aanwezigheid van de griffier en een tolk in de taal Urdu, R. Raj, kindgesprekken gehouden met de twee minderjarige zussen van eiser, [persoon 2] (geboren op [geboortedag 2] 2009) en [persoon 3] (geboren op [geboortedag 3] 2011). Zij zijn in de gelegenheid gesteld hun mening kenbaar te maken over deze procedure.
1.2.
In de tussenuitspraak van 20 oktober 2025 [3] heeft de rechtbank de minister in de gelegenheid gesteld om binnen zes weken na plaatsing van de tussenuitspraak in het digitale dossier, met inachtneming van wat in de tussenuitspraak is overwogen, de geconstateerde gebreken in het bestreden besluit te herstellen. De rechtbank heeft daarbij iedere verdere beslissing aangehouden.
1.3.
Op 30 oktober 2025 heeft de minister laten weten de gebreken te willen herstellen. Op 13 november 2025 heeft een hoorzitting plaatsgevonden.
1.4.
Bij besluit van 27 november 2025 heeft de minister het besluit van 18 maart 2025 ingetrokken en opnieuw beslist op het bezwaar. De minister heeft het bezwaar wederom ongegrond verklaard (hierna: het bestreden besluit).
1.5.
Eiser heeft op 24 december 2025 schriftelijk een zienswijze ingediend over de wijze waarop het gebrek is hersteld. Op grond van het bepaalde in artikel 6:19 van Pro de Awb [4] heeft het beroep van eiser betrekking op het nieuwe bestreden besluit.
1.6.
De rechtbank heeft met toepassing van artikel 8:57, tweede lid, aanhef en onder c, van de Awb bepaald dat een nader onderzoek ter zitting achterwege blijft en het onderzoek op grond van artikel 8:57, derde lid, van de Awb gesloten.

Beoordeling door de rechtbank

2. Eiser is wegens betalingsonmacht vrijgesteld van de verplichting om griffierecht te betalen.
3. Deze einduitspraak bouwt voort op de tussenuitspraak. De rechtbank blijft bij al wat zij in de tussenuitspraak heeft overwogen en beslist, tenzij hierna uitdrukkelijk anders wordt overwogen.
De tussenuitspraak
4. In de tussenuitspraak van 20 oktober 2025 heeft de rechtbank onder rechtsoverweging 11 en verder geoordeeld dat aan het bestreden besluit meerdere gebreken kleven. De minister heeft de belangenafweging niet zorgvuldig voorbereid en onvoldoende
gemotiveerd. Allereerst heeft de minister niet alle relevante feiten en omstandigheden kenbaar bij zijn beoordeling betrokken. Daarnaast heeft de minister, in het licht van het
door de minister aangenomen gezinsleven tussen eiser en zijn moeder, ook het belang van de minderjarige zusjes van eiser onvoldoende kenbaar bij zijn beoordeling betrokken. Verder heeft de minister niet duidelijk gemotiveerd tegen welk belang van de Nederlandse Staat het belang van eiser wordt gewogen. Hierdoor is het ook onduidelijk welk gewicht er precies aan het belang van de Nederlandse Staat wordt gehecht.
4.1.
Verder is de weging (“fair balance”) van de feiten en omstandigheden die wel zijn betrokken, op sommige punten gebrekkig geweest. Zo is het niet duidelijk welke genoemde feiten en omstandigheden in het voordeel en in het nadeel van eiser zijn betrokken en hoeveel gewicht de minister hieraan heeft toegekend. Ten slotte heeft de minister onvoldoende gemotiveerd waarom het intensieve contact tussen eiser en zijn minderjarige zusjes onvoldoende is om te kunnen concluderen dat er sprake is van hechte banden en dus van familie-/gezinsleven in de zin van artikel 8 van Pro het EVRM.
4.2.
De rechtbank heeft de minister de gelegenheid gegeven deze gebreken te herstellen met een aanvullende motivering of, voor zover nodig, met een nieuwe beslissing op bezwaar, na of tegelijkertijd met intrekking van het bestreden besluit.
De nieuwe beslissing op bezwaar
5. De minister heeft gebruik gemaakt van de mogelijkheid om de gebreken te herstellen. De minister heeft het besluit van 18 maart 2025 ingetrokken en met het bestreden besluit opnieuw op het bezwaar van eiser beslist. Het bezwaar van eiser is opnieuw ongegrond verklaard. Aan eiser wordt geen mvv verleend.
5.1.
De minister heeft opnieuw getoetst aan artikel 8 van Pro het EVRM. De minister neemt wel gezinsleven aan tussen eiser als jongvolwassene en zijn moeder en heeft vervolgens een belangenafweging gemaakt. De minister heeft zich op het standpunt gesteld dat eisers persoonlijk belang niet opweegt tegen het belang van de Nederlandse Staat. Verder neemt de minister aan dat sprake is van hechte banden tussen eiser en zijn zussen. Aan het belang van voortzetting van de uitoefening van hun gezinsleven met eiser komt in de belangenafweging echter geen gewicht toe in het voordeel van eiser.
Gezins-en familieleven tussen eiser en zijn vader
6. De minister heeft in het bestreden besluit geconcludeerd dat er tussen eiser en zijn vader geen sprake is van gezinsleven zoals bedoeld in artikel 8 van Pro het EVRM. Eisers vader woont immers sinds 1977 in Nederland en heeft nooit samen met zijn gezin in Pakistan gewoond. Er is daarom geen sprake van gezinsleven tussen een ouder en een jongvolwassene zoals bedoeld in artikel 8 van Pro het EVRM. Daarnaast is bij de aanvraag noch in de bezwaarprocedure aangevoerd dat er tussen eiser en zijn vader sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid die de gebruikelijke emotionele banden overstijgen.
6.1.
Eiser voert in de zienswijze aan dat er wel sprake is van gezins-/familieleven tussen hem en zijn vader. Eiser wijst erop dat hij eerder al heeft aangevoerd dat zijn vader zich altijd tenminste één keer per jaar bij het gezin heeft gevoegd, dat hij telefonisch zeer veel contact met zijn vader onderhield als hij niet in Pakistan was en dat hij financieel volledig afhankelijk is van zijn vader.
6.2.
De rechtbank stelt vast dat de minister eerder – in het ingetrokken besluit van 18 maart 2025 – wel gezinsleven tussen eiser en zijn vader heeft aangenomen. De rechtbank verwijst daarvoor naar zowel pagina 6 als 8 van het ingetrokken besluit. De vraag of er wel of geen gezinsleven tussen eiser en zijn vader is, was eerder in de beroepsprocedure dus geen punt van discussie. De rechtbank heeft in haar tussenuitspraak van 20 oktober 2025 over dit punt daarom ook niets opgenomen. De rechtbank ging er vanuit dat dit geen geschilpunt was tussen partijen en de door de rechtbank vastgestelde gebreken zien dan ook niet hier op. Zij zien op de door de minister gemaakte belangenafweging met betrekking tot het vastgestelde familieleven tussen eiser en zijn moeder en op de conclusie van de minister dat er geen sprake was van hechte banden tussen eiser en zijn zusjes. Zoals volgt uit de tussenuitspraak blijft het geding zoals dat na de tussenuitspraak wordt gevoerd, in beginsel beperkt tot de geschilpunten zoals die daar aan de orde zijn geweest. Omdat het nu enkel nog gaat om de vraag of de minister de in de tussenuitspraak genoemde gebreken heeft hersteld, zal de rechtbank zich daartoe beperken. De vraag of er wel of niet gezinsleven is tussen eiser en zijn vader zal de rechtbank dus buiten beschouwing laten. Overigens gaat de rechtbank er ook wel vanuit dat de minister gezinsleven aanneemt tussen eiser en zijn vader (referent). Immers heeft de minister ook beoordeeld of er in het kader van de belangenafweging subjectieve belemmeringen bestaan voor referent om het gezinsleven met eiser in Pakistan uit te oefenen.
De belangenafweging
7. Aan de orde is de vraag of de minister de in de tussenuitspraak geconstateerde gebreken voldoende heeft hersteld en daarmee dus of de minister nu wel een deugdelijke belangenafweging heeft verricht.
Herstelde gebreken
8. De rechtbank stelt vast dat de minister nu wel alle relevante feiten en omstandigheden heeft betrokken in de belangenafweging. De minister heeft namelijk betrokken:
  • dat er sprake is van familie- en gezinsleven tussen eiser en zijn moeder in de zin van artikel 8 van Pro het EVRM;
  • of er een subjectieve belemmering bestaat om het gezinsleven in Pakistan uit te oefenen in verband met de medische gesteldheid van de vader van eiser;
  • het belang van de minderjarige zusjes van eiser in het licht van het door de minister aangenomen gezinsleven tussen eiser en zijn moeder;
  • de banden van eiser met Nederland en met Pakistan en,
  • het belang van de Nederlandse Staat.
9. De rechtbank is het met de minister eens dat er geen subjectieve belemmeringen (‘a certain degree of hardship’) zijn voor referent om het gezinsleven met eiser in Pakistan uit te oefenen. De minister heeft dit in de belangenafweging in het nadeel van eiser mogen wegen. De minister heeft daarbij van belang mogen vinden dat de medische problematiek waarvoor eiser in Nederland onder behandeling staat, niet in de weg hoeft te staan aan vestiging in Pakistan. Referent heeft namelijk zijn medische situatie niet uitgebreid onderbouwd waardoor het onduidelijk is waar zijn medische behandeling precies uit bestaat, of deze behandeling ook in Pakistan beschikbaar is en of er in Pakistan wellicht ook een regeling voor vergoeding van zorgkosten mogelijk is. Daar komt bij dat referent heeft verklaard dat de artsen in Nederland hebben ingestemd met een reis naar Pakistan. Verder maakt de rechtbank uit de bewoordingen in het bestreden besluit op dat de minister ook geen subjectieve belemmering ziet voor de moeder van eiser om het gezinsleven met eiser in Pakistan uit te oefenen omdat haar dochters met haar mee terug kunnen naar Pakistan. De rechtbank is het eens met het standpunt van de minister dat niet is gebleken van onredelijke bezwaren voor de moeder van eiser om terug te keren. Dat het onredelijk is omdat zij dan haar dochters moet achterlaten volgt de rechtbank niet. De kinderen kunnen immers mee met hun ouders, die verantwoordelijk zijn voor hun verzorging en opvoeding.
9.1.
Ook heeft de minister in het nadeel van eiser mogen wegen dat hij geen bijzondere banden heeft met Nederland. Eiser is namelijk nog nooit in Nederland geweest en heeft sterke banden met Pakistan, waar hij is geboren, opgegroeid, naar school is geweest en hij studeert.
9.2.
Verder overweegt de rechtbank dat de minister voldoende heeft gemotiveerd waarom niet wordt aangenomen dat eiser in het gezin een vervangende ouderrol heeft of heeft gehad. Dat eiser zijn moeder hielp in het huishouden, bij het doen van de boodschappen en bij het van en naar school brengen van zijn jongere zusjes is, zoals in vele andere gezinnen met meerdere kinderen, niet ongebruikelijk. Daarnaast heeft de moeder van eiser in het gehoor verklaard dat zij alle beslissingen over het gezin, de scholing van de kinderen, het familiebudget en de besteding daarvan, samen nam met haar echtgenoot. [5] Ook heeft eiser zelf verklaard dat zijn ouders alle beslissingen over hem hebben genomen. [6]
Niet herstelde gebreken
10. De rechtbank oordeelt echter ook dat de minister een aantal in de tussenuitspraak vastgestelde gebreken niet voldoende heeft hersteld. De rechtbank legt dat hierna uit.
Toelatingsvoorwaarden
10.1.
De minister heeft zwaar in het nadeel van eiser gewogen dat niet wordt voldaan aan de algemene verblijfsvoorwaarden van het Nederlandse toelatingsbeleid. Het voor eiser beoogde verblijf in Nederland valt immers buiten het bereik van het Nederlands restrictief toelatingsbeleid. De rechtbank overweegt hierover, zoals eiser ook heeft betoogd, dat het niet voldoen aan de toelatingsvoorwaarden inherent is aan een artikel 8 van Pro het EVRM-toets. Het gaat bij die toets nu juist om de vraag of ondanks het feit dat niet aan de toelatingsvoorwaarden wordt voldaan toch verblijf moet worden toegestaan op grond van het recht op gezinsleven. Met het tegenwerpen hanteert de minister een onjuist uitgangspunt omdat dit niet uit de jurisprudentie van het EHRM [7] volgt en ook niet uit paragraaf 7.2 van de WI 2020/16 [8] , geldend ten tijde van het bestreden besluit. Dat de minister mag uitgaan van een negatievere uitgangspositie voor de vreemdeling is alleen aan de orde in het specifieke geval dat het familieleven wordt aangegaan tijdens een periode dat het verblijfsrecht onzeker is. Dat is in deze zaak niet aan de orde. Het gaat hier namelijk om hereniging van een al bestaand gezin. De minister dient dan ook een neutraal uitgangspunt te nemen bij de te verrichten belangenafweging, waarbij vervolgens alle relevante belangen betrokken moeten worden. [9] De omstandigheid dat niet aan de toelatingsvoorwaarden wordt voldaan kan daarom op zichzelf niet ten nadele van eiser worden gewogen, laat staan zwaar.
Aard en intensiteit gezinsleven
10.2.
De minister heeft in het voordeel van eiser meegewogen dat tussen eiser en zijn moeder en tussen eiser en zijn drie zusjes sprake is van een goede en warme familieband waaraan intensief invulling werd en wordt gegeven. Maar omdat die band niet uitzonderlijk wordt geacht komt daaraan in de belangenafweging geen doorslaggevende betekenis toe in het voordeel van eiser. De minister stelt verder dat hij ook in het nadeel van eiser heeft gewogen dat niet is aangetoond of anderszins is gebleken dat eiser niet in staat is om zelfstandig te functioneren en dat hij afhankelijk is van zorg door zijn moeder. De rechtbank overweegt allereerst dat het (wederom) niet duidelijk is hoeveel gewicht er wordt toegekend aan de aangenomen intensiviteit van het gezinsleven. Daarnaast overweegt de rechtbank dat in dit geval ook sprake is van familie- of gezinsleven omdat aan het jongvolwassenenbeleid wordt voldaan. De feiten en omstandigheden op basis waarvan de minister tot die conclusie is gekomen, had hij ook moeten betrekken bij de belangenafweging. De minister had het feit dat aan het jongvolwassenenbeleid wordt voldaan in het voordeel van eiser moeten wegen in de belangenafweging, wat hij niet heeft gedaan. De rechtbank verwijst in dit verband naar de uitspraak van de Afdeling van 9 december 2022. [10] Daarnaast lijkt het er zelfs op dat, zoals eiser ook heeft aangevoerd, de minister de intensiteit van het gezinsleven in het nadeel van eiser heeft gewogen, omdat hij het woord “ook” in de zin erna heeft gebruikt [11] . In die zin staat namelijk dat de minister ook de afhankelijkheid van eiser van zijn ouders in zijn nadeel heeft betrokken omdat niet is aangetoond of anderszins is gebleken dat eiser niet in staat is om zelfstandig te functioneren. Volgens de minister is niet aangetoond of anderszins gebleken dat eiser afhankelijk is van zorg door zijn moeder. De minister is met deze motivering uitgegaan van het ontbreken van enige mate van afhankelijkheid in plaats van de afhankelijkheid die met het aannemen van het jongvolwassenenbeleid is gegeven, kenbaar in het voordeel van eiser te betrekken bij de belangenafweging. [12] De rechtbank betrekt hierbij ook dat de minister zelf heeft aangenomen dat eiser financieel, materieel en praktisch door zijn ouders wordt ondersteund. Zijn ouders hebben voor een bepaalde periode zelfs, toen eisers moeder en zusjes naar Nederland verhuisden, een huishoudster en kok voor hem ingeschakeld. De rechtbank ziet dan ook niet in dat het feit dat eiser zichzelf momenteel handhaaft in Pakistan, betekent dat dit in zijn nadeel moet worden gewogen. Dat eiser zich op deze manier nu handhaaft is ook het logische gevolg van de verhuizing van zijn moeder en zusjes naar Nederland en de langere duur van deze procedure door het meermaals intrekken van besluiten door de minister.
Economisch belang
10.3.
De minister heeft het economisch belang zwaar in het nadeel van eiser laten uitvallen. De rechtbank overweegt dat het aan de minister is om alle omstandigheden van het geval mee te nemen in de afweging van het economisch belang en het belang van eiser. Het gaat dan bijvoorbeeld om de leeftijd, de beroepskwalificaties en werkervaring, de mate van integratie in Nederland, de kennis van de Nederlandse taal, de gezondheid, de gezinssituatie en in hoeverre sprake is van inspanningen om werk te vinden. De beoordeling van de minister dient daarbij flexibel te zijn en de minister mag hierbij niet het onmogelijke van eiser verwachten. [13]
10.3.1.
Ook heeft de Afdeling overwogen dat de minister bij zijn beoordeling rekening moet houden met alle relevante aspecten en daarbij dus ook relevante onzekere toekomstige gebeurtenissen die een vreemdeling naar voren heeft gebracht, moet betrekken. De beoordeling hiervan is niet anders dan wanneer de minister bij zijn beoordeling andere onzekere toekomstige gebeurtenissen betrekt, zoals een mogelijk toekomstig beroep op de openbare kas. Dit neemt niet weg dat de minister in zijn beoordeling minder gewicht mag toekennen aan een gebeurtenis naarmate het onwaarschijnlijker is dat die gebeurtenis zal plaatsvinden. Ook mag hij van een vreemdeling verlangen dat, als het onwaarschijnlijker is dat een gebeurtenis zal plaatsvinden, hij die gebeurtenissen eerder toelicht. [14]
10.3.2.
Uit het bestreden besluit blijkt niet dat de minister bij de beoordeling van het economisch belang dit toetsingskader heeft toegepast. De minister stelt zich op het standpunt dat eiser, ondanks dat referent een eigen inkomen heeft, aanspraak kan maken op een uitkering uit de algemene middelen en/of een aanvulling van het inkomen om bijvoorbeeld zorgpremies te betalen (zorgtoeslag). Ook zal eiser toegang krijgen tot alle medische voorzieningen in Nederland die vanuit de algemene middelen worden betaald en zal hij in aanmerking kunnen komen voor zelfstandige huisvesting. Dit zal een extra druk leggen op de al krappe woonvoorzieningen in Nederland. De minister gaat hiermee uit van allerlei toekomstige kosten wegens toekomstige problemen in de gezondheid van eiser of toekomstige veranderingen in zijn huisvesting, terwijl daarvoor geen aanwijzingen zijn. Eiser is namelijk een jongeman die meerdere opleidingen heeft gedaan, waaronder een Associate Degree Program in Accounting en Finances [15] en momenteel naar een computerschool gaat. [16] Het is daarom niet ondenkbaar dat eiser in Nederland op zoek zal gaan naar een baan en eigen inkomsten zal verwerven. Ook zal hij geen beroep doen op de woningmarkt. Eiser zal namelijk bij zijn ouders en minderjarige zusjes gaan wonen. De stelling van de minister dat het niet voor de hand ligt dat eiser altijd bij zijn ouder(s) zal blijven wonen omdat het gebruikelijk is dat meerderjarige kinderen op enig moment apart van hun ouder(s) gaan wonen, volgt de rechtbank niet zonder meer. Eiser heeft namelijk ook aangevoerd dat het in Pakistan gebruikelijk is dat kinderen, ook als zij meerderjarig zijn, financieel onafhankelijk zijn en zelfs als zij zelf een gezin stichten, bij hun ouders blijven wonen. Eiser is niet van plan om binnen afzienbare tijd zelfstandig te gaan wonen. Dat eiser een beroep zou gaan doen op de krappe woonvoorzieningen in Nederland heeft de minister daarom ten onrechte in eisers nadeel gewogen. Verder heeft hij geen gezondheidsproblemen waardoor hij bijzondere medische zorg nodig heeft. Een beroep op de algemene kas ligt daarom niet in de lijn der verwachtingen. Daarnaast heeft referent, zoals de minister ook heeft aangenomen, een eigen inkomen waar hij eiser financieel mee kan onderhouden. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister, door te stellen dat deze omstandigheid niet zwaar in het voordeel van eiser meeweegt omdat eiser zelf geen inkomen genereert, in de belangenafweging onvoldoende kenbaar rekening gehouden met de omstandigheid dat de vader van eiser in staat is om de kosten van het levensonderhoud van hemzelf en zijn gezin te kunnen betalen. Het bestreden besluit ontbeert dan ook een zorgvuldige beoordeling met betrekking tot het economisch belang.
Belang van eiser als achtergelaten gezinslid
11. Verder heeft de rechtbank in de tussenuitspraak geoordeeld dat het onduidelijk is hoeveel gewicht de minister heeft toegekend aan het feit dat eiser alleen in Pakistan is achtergebleven. [17] De beoordelingsruimte voor de minister is in beginsel kleiner als het gaat om achtergelaten gezinsleden [18] en in alle gevallen kleiner als kinderen onderdeel van het gezin vormen. [19] Uit het bestreden besluit blijkt niet dat de minister rekening heeft gehouden met deze beperktere beoordelingsruimte.
Hechte banden met zusjes
12. De minister heeft in het bestreden besluit aangenomen dat tussen eiser en zijn zusjes sprake is van hechte persoonlijke banden, en daarmee van gezinsleven in de zin van artikel 8 van Pro het EVRM. Aan dit belang komt volgens de minister, in het kader van de belangenafweging die de minister heeft gemaakt naar aanleiding van het familieleven tussen eiser en zijn moeder, echter geen gewicht toe in het voordeel van eiser. Dit omdat niet is gebleken dat eiser binnen het gezin de door de zusjes gestelde vaderrol/ouderrol zou hebben vervuld. Dat eiser en zijn zusjes elkaar dagelijks spreken via videochat maakt dan ook niet dat de band tussen hen daarmee uitzonderlijk zou zijn of dat hun band zou nopen tot verblijfsaanvaarding van eiser. De hechte band die zij hebben kan ook worden ingevuld op een wijze waarbij zij niet samenwonend zijn, en zoals gebruikelijk is voor broers en zussen die als jongvolwassenen zich langzaamaan los maken van het kerngezin. Ook het belang van de zusjes om het tussen hen en eiser bestaande gezinsleven voort te zetten op een wijze waarbij zij samenwonend zijn, weegt in deze belangenafweging niet zwaarder dan het algemeen belang van Nederland dat gebaat is bij een restrictief toelatingsbeleid. De banden kunnen zij immers ook op afstand onderhouden zoals zij dat nu doen, door middel van frequent dagelijks video/telefoon contact.
12.1.
Naar het oordeel van de rechtbank had de minister met het aannemen van de hechte banden tussen eiser en zijn zusjes in ieder geval hier enig gewicht in het voordeel van eiser aan moeten toekennen. Dat heeft de minister niet gedaan. Zoals hierboven staat weergegeven heeft de minister hier immers geen gewicht aan toegekend in het voordeel van eiser en zich op het standpunt gesteld dat het feit dat zij elkaar dagelijks spreken niet maakt dat de band tussen hen uitzonderlijk zou zijn. Nu de minister gelet op de voorgaande overwegingen een nieuwe belangenafweging moet maken, moet hij daarbij de hechte persoonlijke banden tussen eiser en zijn zusjes en hun belang bij voortzetting van het gezinsleven met eiser kenbaar in het voordeel van eiser betrekken.

Conclusie en gevolgen

13. Omdat het besluit van 18 maart 2025 in het bestreden besluit is ingetrokken, is er geen belang meer bij een beoordeling van het beroep daartegen. De rechtbank verklaart het beroep tegen dat besluit niet ontvankelijk.
14. Het beroep tegen het bestreden besluit is gegrond. De rechtbank is van oordeel dat de minister niet alle vastgestelde gebreken voldoende heeft hersteld. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. De rechtbank ziet geen reden om de rechtsgevolgen van het besluit in stand te laten of zelf een beslissing te nemen. De rechtbank heeft begrip voor de situatie van eiser vanwege het feit dat de minister meerdere besluiten heeft ingetrokken. Dat moet telkens onzekere periodes voor eiser en zijn familieleden hebben opgeleverd over wat er vervolgens zou gebeuren. Toch is de rechtbank van oordeel dat de minister opnieuw in de gelegenheid moet worden gesteld om een beslissing te nemen. Het gaat hier namelijk om een belangenafweging, die de rechtbank enigszins terughoudend dient te toetsen. Hierbij speelt ook een rol dat de belangenafweging voor het eerst in deze procedure is onderworpen aan het oordeel van de rechtbank. Verder is de rechtbank van oordeel dat het tijdsverloop in deze procedure niet dusdanig is dat (ook) om die reden in de zaak zelf zou moeten worden voorzien.
15. De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb dat
de minister een nieuw besluit moet nemen en daarbij rekening houdt met deze uitspraak. De
rechtbank geeft de minister hiervoor zes weken na de dag van het verzenden [20] van deze
uitspraak.
16. Omdat het beroep tegen het bestreden besluit gegrond is, krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht € 2.335,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het deelnemen aan de zitting en 0,5 punt voor het indienen van een schriftelijke zienswijze na een bestuurlijke lus, met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep tegen het besluit van 18 maart 2025 niet ontvankelijk;
- verklaart het beroep tegen het bestreden besluit gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- draagt de minister op binnen zes weken na de dag van verzending van deze
uitspraak een nieuw besluit te nemen op de aanvraag, waarbij rekening wordt gehouden met deze uitspraak;
- veroordeelt de minister tot betaling van € 2.335,- aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. V.F.J. Bernt, rechter, in aanwezigheid van
mr. K. Mertens, griffier.

Bijlage: terugkoppeling van de uitspraak aan [persoon 3] en [persoon 2]

Beste [persoon 3] en [persoon 2] ,
Op 14 augustus 2025 hebben wij elkaar gesproken bij de rechtbank over de zaak van jullie broer [eiser] . Hij wil graag vanuit Pakistan naar Nederland komen om bij jullie en jullie oudere zus en ouders te verblijven. Zoals jullie weten vond de minister van Asiel en Migratie dat niet goed.
Op 20 oktober 2025 heb ik jullie een brief gestuurd om mijn beslissing van diezelfde dag aan jullie uit te leggen. Ik heb toen gezegd dat de minister beter naar jullie situatie moet kijken. Beter naar de situatie van jullie broer, maar ook beter naar de band die hij met jullie heeft en wat het voor jullie betekent dat hij in Pakistan is.
De minister heeft van mij de kans gekregen om zijn eerdere beslissing te herstellen. Hij moest daarbij rekening houden met mijn aanwijzingen. De minister heeft mij laten weten die kans te nemen. De minister heeft opnieuw naar de situatie van jullie gezin gekeken en ook een gesprek met de hele familie gevoerd. Daarna heeft de minister een nieuwe beslissing genomen en aangegeven dat [eiser] nog steeds niet bij het gezin in Nederland mag verblijven.
De advocaat van jullie broer heeft toen een brief gestuurd en mij laten weten dat jullie broer het niet eens is met deze beslissing van de minister.
Ik heb vervolgens nagedacht over de zaak en besloten dat ik een eindbeslissing neem. Dat heb ik vandaag gedaan en daarom stuur ik jullie deze brief. Omdat ik wil uitleggen hoe het zit.
Ik vind dat de minister sommige van mijn aanwijzingen goed heeft opgevolgd maar sommige aanwijzingen niet. Ik vind dus dat de minister de fouten in de eerdere beslissing niet goed genoeg heeft hersteld met de nieuwe beslissing.

Hoe gaat het nu verder?

De minister moet nu van de rechtbank weer een nieuwe beslissing nemen over de vraag of jullie broer een verblijfsvergunning kan krijgen. Als de minister dat gaat doen, dan zijn er twee uitkomsten: of de minister besluit dat jullie broer een verblijfsvergunning krijgt, of hij neemt opnieuw de beslissing dat jullie broer niet naar Nederland mag komen. Ik heb de minister zes weken de tijd gegeven voor die nieuwe beslissing. Het is de bedoeling dat jullie binnen deze termijn een nieuw besluit krijgen. Ik en mijn assistent snappen dat dit voor jullie onzeker is, en dat jullie nu ook nog langer moeten wachten.
Het kan ook zijn dat de minister het niet eens is met mijn beslissing. Hij kan dan binnen vier weken in hoger beroep gaan bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Dat is een hogere rechter, die dan nog eens naar de zaak gaat kijken. Ook jullie kunnen in hoger beroep gaan als jullie het niet eens zijn met de beslissing van de rechtbank. Als er geen hoger beroep komt, dan is deze procedure na deze beslissing klaar. Wel moet de minister dan dus een nieuw besluit nemen.
In mijn vorige brief aan jullie zei ik het al: ik vind het heel goed jullie bij me langs zijn gekomen om mij te vertellen wat jullie ervan vinden. Dat vind ik nog steeds.
Ik hoop dat het zo duidelijk is wat ik heb beslist, en waarom ik deze beslissing heb genomen. Verder hoop ik dat het goed met jullie gaat.
Groetjes,
De rechter.
Deze uitspraak is in het openbaar gedaan en bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met de uitspraak op het beroep, kan een hogerberoepschrift
sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd
waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden
ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. De datum van
verzending van de uitspraak ziet u hierboven.

Voetnoten

1.Machtiging tot voorlopig verblijf.
2.Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
4.Algemene wet bestuursrecht.
5.Verslag gehoor van 13 november 2025, pagina 3.
6.Verslag gehoor van 13 november 2025, pagina 4.
7.Europees Hof voor de Rechten van de Mens.
8.Werkinstructie 2020/16.
9.Zie het arrest van het EHRM van 9 juli 2021, nr. 6697/18, rechtsoverweging 134(i) (
10.ECLI:NL:RVS:2022:3660, rechtsoverweging 2.
11.Zie de eerste drie zinnen van deze rechtsoverweging en specifiek de derde zin.
12.Idem.
13.Uitspraak van 4 december 2024, ECLI:NL:RVS:2024:4912, rechtsoverwegingen 7.2. en 8.
14.Uitspraak van 11 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3166, rechtsoverweging 2.
15.Verslag gehoor van 13 november 2025, pagina 5.
16.Verslag gehoor van 13 november 2025, pagina 2.
17.Tussenuitspraak van deze rechtbank van 20 oktober 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:20652, rechtsoverweging 14.1.
18.Zie WI 2020/16, pagina 15, zoals gold ten tijde van het bestreden besluit: “
19.Idem, pagina 15: “
20.Middels het uploaden van de uitspraak.