Uitspraak
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], V-nummer: [V-nummer], eiser
Inleiding
8 juli 2025 heeft eiser hierop middels een zienswijze gereageerd.
Beoordeling door de rechtbank
Beroep tegen het besluit van 7 augustus 2025
10. De rechtbank stelt vast dat de Afdeling nadien, op 23 april 2025 [6] , (nogmaals) uitspraken heeft gedaan over de beëindiging van de facultatieve tijdelijke bescherming op grond van de Richtlijn Tijdelijke Bescherming. Bij die uitspraken heeft de Afdeling betrokken het arrest van het HvJ [7] van 19 december 2024 [8] , waarin het HvJ antwoord heeft gegeven op de op 25 april 2024 gestelde prejudiciële vragen over de uitleg van de Richtlijn Tijdelijke Bescherming. De Afdeling heeft in deze uitspraken geoordeeld dat de minister bevoegd was om voor derdelanders uit Oekraïne de facultatieve tijdelijke bescherming te beëindigen op 4 maart 2024.
4 maart 2024. Daarbij heeft de minister verwezen naar de uitspraken van de Afdeling van
23 april 2025. Eiser heeft hiertegen, ondanks daartoe in de gelegenheid te zijn gesteld, geen gronden van beroep aangevoerd. De rechtbank kan zich vinden in de overwegingen van de minister en ziet hierin geen aanleiding het bestreden besluit te vernietigen.
14 december 2024 twee zoons heeft gekregen en eiser in die procedure al de nodige informatie had overgelegd met betrekking tot de zorgtaken die eiser zou verrichten en met betrekking tot de wederzijdse afhankelijkheid tussen eiser en zijn Nederlandse kinderen. [11] De minister had deze informatie moeten betrekken bij de beoordeling van de vraag of een terugkeerbesluit kon worden opgelegd, rekening houdend met het belang van het kind en het gestelde familie- en gezinsleven. Dat heeft de minister ten onrechte niet gedaan.
Beslissing
- verklaart het beroep voor zover gericht tegen het besluit van 21 februari 2024 niet-ontvankelijk;
- verklaart het beroep voor zover gericht tegen het besluit van 7 augustus 2025 gegrond;
- vernietigt het besluit van 7 augustus 2025, voor zover daarin een nieuw terugkeerbesluit is opgelegd;
- veroordeelt de minister in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 2.802,00.