ECLI:NL:RBDHA:2026:9804

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
22 april 2026
Publicatiedatum
23 april 2026
Zaaknummer
NL23.40815
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • B.F.Th. de Roos
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 31 Vreemdelingenwet 2000Art. 3 EVRMArt. 8 EVRMArt. 6:19 Algemene wet bestuursrechtArt. 3.6ba Vreemdelingenbesluit 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing asielaanvraag Afghaanse minderjarige wegens ongeloofwaardigheid en onvoldoende verwestering

Eiser, een Afghaanse minderjarige, vroeg in 2021 asiel aan in Nederland. Zijn aanvraag werd in 2023 afgewezen wegens ongeloofwaardigheid van zijn verhaal over brandstichting in een moskee en onvoldoende bewijs van verwestering. De rechtbank vernietigde dit besluit in januari 2024 vanwege onzorgvuldigheden bij het horen van eiser als meerderjarige terwijl hij minderjarig was.

Na aanvullend onderzoek en een nieuw besluit in januari 2025 handhaafde de minister de afwijzing. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State verklaarde het hoger beroep van de minister ongegrond en verwees de zaak terug naar de rechtbank. De rechtbank behandelde het beroep opnieuw in april 2026.

De rechtbank oordeelde dat eiser onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij verwesterd is en dat zijn asielmotief ongeloofwaardig blijft. Ook zijn beroep op een verblijfsvergunning regulier wegens privéleven of humanitaire omstandigheden werd afgewezen, mede vanwege het ontbreken van schrijnende omstandigheden en het feit dat zijn PTSS-klachten niet tot een medische noodsituatie leiden.

De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en handhaafde het besluit van 28 januari 2025. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het beroep van eiser wordt ongegrond verklaard en het besluit tot afwijzing van zijn asielaanvraag blijft in stand.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL23.40815

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser

V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. M.S. Yap),
en
de minister van Asiel en Migratie, voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
(gemachtigde: mr. J.P. Arts).

Inleiding

In het besluit van 13 april 2023 heeft verweerder de asielaanvraag van eiser afgewezen als ongegrond.
In de uitspraak van 19 januari 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:781, heeft de rechtbank het daartegen door eiser ingestelde beroep (NL23.13768) gegrond verklaard, het besluit van 13 april 2023 vernietigd, en verweerder opgedragen om opnieuw op eisers asielaanvraag te beslissen.
Verweerder heeft tegen deze uitspraak hoger beroep ingesteld. Tijdens het hoger beroep heeft verweerder op 28 januari 2025 een aanvullend besluit genomen over eisers asielaanvraag. In de uitspraak van 11 april 2025, ECLI:NL:RVS:2025:1628, heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) het hoger beroep van verweerder ongegrond verklaard, de uitspraak van de rechtbank van 19 januari 2024 bevestigd, en het van rechtswege ontstane beroep tegen het besluit van 28 januari 2025 met toepassing van artikel 6:19, vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht naar de rechtbank teruggewezen.
De rechtbank heeft het beroep voortgezet onder nummer NL23.40815. Eiser heeft aanvullende beroepsgronden ingediend. De rechtbank heeft het beroep op 8 april 2026 op een zitting behandeld in Breda. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen [tolk] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Beoordeling door de rechtbank

1. Eiser is geboren op [geboortedag] 2005 en heeft de Afghaanse nationaliteit. Hij heeft op 5 januari 2021 asiel aangevraagd in Nederland. Op 23 juni 2021 is hij door verweerder gehoord over zijn asielmotieven. Eiser heeft verklaard dat de moskee in zijn [woonplaats] in brand is gevolgen, en dat hij door de mullah (een islamitisch geestelijke) en zijn dorpsgenoten is beschuldigd van brandstichting omdat hij regelmatig klusjes deed in deze moskee en op de betreffende dag als laatste in de moskee aanwezig was. Bij terugkeer naar Afghanistan vreest eiser vanwege deze beschuldigingen te zullen worden gedood.
2. In het besluit van 13 april 2023 heeft verweerder de asielaanvraag van eiser afgewezen als ongegrond op grond van artikel 31, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000. Verweerder heeft de door eiser gestelde identiteit, nationaliteit en herkomst geloofwaardig geacht. Verweerder heeft de door eiser gestelde verdenking van brandstichting echter niet geloofwaardig geacht. Volgens verweerder heeft eiser dit namelijk van horen zeggen, heeft eiser hierover onlogische, vage en oppervlakkige verklaringen afgelegd en heeft eiser geen onderbouwing in de vorm van documenten aangeleverd.
3. In de uitspraak van 19 januari 2024 heeft de rechtbank geoordeeld dat verweerder onzorgvuldig heeft gehandeld door eiser te horen als meerderjarige terwijl hij op dat moment minderjarig was. Volgens de rechtbank is de geloofwaardigheidsbeoordeling van verweerder daardoor ook gebrekkig geweest, doordat niet valt uit te sluiten dat de wijze van horen daarop van invloed is geweest. Ook heeft de rechtbank geoordeeld dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij zodanig is verwesterd dat hij daardoor bij terugkeer naar Afghanistan een reëel risico op ernstige schade loopt zoals bedoeld in artikel 3 van Pro het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).
4. Na het instellen van hoger beroep tegen deze uitspraak heeft verweerder op 14 mei 2024 eiser aanvullend gehoord. Op 30 mei 2024 heeft eiser correcties en aanvullingen ingediend op het rapport van dit gehoor. Verweerder heeft op 18 december 2024 een aanvullend voornemen uitgebracht. Eiser heeft op 15 januari 2025 bij verweerder een zienswijze ingediend. Op 28 januari 2025 heeft verweerder een aanvullend besluit genomen. Verweerder is bij zijn standpunt gebleven dat eisers asielaanvraag moet worden afgewezen als ongegrond, omdat eisers relaas over de brand in de moskee en eisers gestelde verwestering ongeloofwaardig zijn. Daarnaast heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat eiser niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning regulier vanwege familie- of privéleven, dan wel vanwege humanitaire omstandigheden.
5. De Afdeling heeft het beroep tegen het besluit van 28 januari 2025 naar de rechtbank teruggewezen. Eiser is het niet eens met dit besluit. Hij voert aan dat bij de motivering van dit besluit onvoldoende rekening is gehouden met zijn referentiekader. Ook voert hij aan dat verweerder ten onrechte niet heeft onderkend dat hij vanwege zijn verwestering, zijn etniciteit als Tadzjiek en het behoren tot de sjiitische minderheid bij terugkeer te vrezen heeft voor een reëel risico op ernstige schade. Eiser verwijst hierbij naar de uitspraak van de Afdeling van 20 november 2024, ECLI:NL:RVS:2024:4648, en naar het stuk ‘Guidance Note on Afghanistan – Update II’ van UNHCR van september 2025. Ten slotte voert eiser aan dat hij inmiddels al lang in Nederland verblijft en dat hij hier te lande medische behandeling ontvangt wegens PTSS. Daarbij verwijst hij naar het advies van het Bureau Medische Advisering (BMA) van 5 juni 2025. Volgens eiser heeft verweerder hem daarom ten onrechte niet in het bezit gesteld van een verblijfsvergunning regulier wegens privéleven, dan wel humanitaire omstandigheden. Daarnaast heeft eiser nog een tweetal verklaringen met vertaling overgelegd, waarin staat dat zijn vader door [naam] is vermoord en dat deze mullah zijn zus wil meenemen en eiser, zijn moeder en zijn andere zussen wil laten vermoorden. Ook heeft eiser een verklaring van zijn docent en mentor overgelegd, waarin staat dat hij op schema ligt om zijn opleiding Allround Autotechniek met succes af te ronden.
6. Verweerder heeft zich tijdens de zitting van 8 april 2026 op het standpunt gesteld dat het bestreden besluit juist is. Bij de geloofwaardigheidsbeoordeling is voldoende aandacht geweest voor het referentiekader. De overgelegde verklaringen zijn geen aanleiding voor een ander standpunt. Eiser heeft niet kunnen verklaren waarom hij bij terugkeer een reëel risico zou lopen. Eisers verblijf in Nederland laat onverlet dat zijn banden met Afghanistan sterker zijn.
De rechtbank oordeelt als volgt.
7. Volgens de vaste rechtspraak van de Afdeling moet een teruggewezen zaak worden beoordeeld en beslist binnen de grenzen van het geding zoals dat in eerste aanleg was afgebakend, eventueel gecorrigeerd in hoger beroep en met inachtneming van de oordelen van de Afdeling aangaande de aangevoerde beroepsgronden en omtrent de te verrichten ambtshalve toetsing. Dit volgt bijvoorbeeld uit de uitspraak van 16 augustus 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BN4823.
8. Zoals tijdens de zitting van 8 april 2026 is geverifieerd, is niet in geschil dat eiser na de uitspraak van de rechtbank van 19 januari 2024 alsnog adequaat is gehoord. De rechtbank volgt eiser niet in zijn stelling dat er in de beoordeling die heeft geleid tot het besluit van 28 januari 2025 te weinig aandacht is geweest voor zijn referentiekader. Daarbij is eisers leeftijd en ontwikkelingsniveau namelijk uitdrukkelijk onderkend en meegewogen. Eiser heeft daarnaast niet aannemelijk gemaakt op welke manier zijn referentiekader zou maken dat hij niet gedetailleerder kon verklaren.
9. Dit brengt mee dat verweerder niet ten onrechte ongeloofwaardig heeft geacht dat eiser wordt verdacht van opzettelijke brandstichting. Verweerder heeft daartoe kunnen overwegen dat eiser in het aanvullend gehoor van 14 mei 2024 geen nieuwe inzichten heeft gegeven, hoewel eiser daartoe uitdrukkelijk in de gelegenheid is gesteld. Ook heeft verweerder niet ten onrechte overwogen dat eiser deze gestelde verdenking baseert op vermoedens en dat hij daarover ongerijmde, vage en oppervlakkige verklaringen heeft afgelegd. De twee verklaringen met vertaling die eiser heeft overgelegd zijn geen aanleiding voor een ander oordeel. Mede gelet op de toelichting die hij hierop tijdens de zitting van 8 april 2026 heeft gegeven, blijkt uit deze verklaringen dat de mullah geïnteresseerd was in zijn zus en dat de mullah zijn vader heeft laten vermoorden omdat die het contact heeft verhinderd. Dit is niet te relateren aan het asielmotief zoals eiser dat naar voren heeft gebracht.
10. De rechtbank heeft in de uitspraak van 19 januari 2024 geoordeeld dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij verwesterd is. De Afdeling heeft dit op 11 april 2025 bevestigd. De vraag ligt voor of sindsdien sprake is van nieuwe feiten of omstandigheden waaruit alsnog zou moeten worden opgemaakt dat eiser is verwesterd. De rechtbank beantwoordt deze vraag ontkennend. Eiser heeft erop gewezen dat hij sindsdien langer in Nederland verblijft, beter Nederlands heeft leren spreken en goed bezig is met zijn opleiding. Ook heeft eiser verklaard dat hij zich niet wil aanpassen aan de huidige situatie in Afghanistan. Dit is echter niet voldoende. De Afdeling heeft in de door eiser aangehaalde uitspraak van 20 november 2024, ECLI:NL:RVS:2024:4648, geoordeeld dat terugkeer naar Afghanistan uit een westers land op zich onvoldoende is om een reëel risico op ernstige schade aan te nemen, maar dat een vreemdeling wel hiermee samenhangende individuele omstandigheden aannemelijk kan maken waaruit kan worden afgeleid dat hij in de negatieve aandacht staat van de Taliban. Dit oordeel heeft de Afdeling herhaald in de uitspraak van 13 januari 2026, ECLI:NL:RVS:2026:161. Eiser heeft dergelijke omstandigheden niet aannemelijk gemaakt. Hij heeft tijdens het aanvullend gehoor van 14 mei 2024 namelijk niet concreet kunnen verklaren met welke aspecten van de huidige Afghaanse samenleving hij zich niet zou kunnen verenigen. De rechtbank betrekt hierbij dat volgens pagina 122 van het algemeen ambtsbericht van de minister van Buitenlandse Zaken over Afghanistan van december 2025 terugkeerders door de huidige autoriteiten goed worden ontvangen zolang zij zich niet tegen de Taliban keren. Verder kan uit het door eiser overgelegde stuk van de UNHCR niet worden afgeleid dat hij bij terugkeer een reëel risico op ernstige schade loopt omdat hij Tadzjiek is en behoort tot de sjiitische minderheid.
11. Hoewel eiser de beslissing op zijn asielaanvraag in Nederland mocht afwachten, heeft hij zijn banden met Nederland opgebouwd gedurende een periode waarin hij nog niet zeker was van een verblijfsstatus. Verweerder heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat er dan bijzondere omstandigheden nodig zijn voordat op grond van deze banden aan eiser een verblijfsvergunning regulier zou moeten worden verleend. Daarnaast heeft verweerder niet ten onrechte overwogen dat van dergelijke omstandigheden niet is gebleken, aangezien eiser alleen al vanwege de duur van het verblijf sterkere banden heeft met Afghanistan. Verweerder heeft dan ook niet ten onrechte geen aanleiding gezien om eiser een verblijfsvergunning te verlenen vanwege privéleven zoals bedoeld in artikel 8 van Pro het EVRM.
12. Een reguliere verblijfsvergunning vanwege humanitaire redenen kan op grond van artikel 3.6ba, eerste lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 worden verleend indien sprake is van een schrijnende situatie die gelegen is in een samenstel van bijzondere omstandigheden die de vreemdeling betreffen. Verweerder maakt van deze mogelijkheid gelet op zijn beleid in onderdeel B11/2.5 van de Vreemdelingencirculaire 2000 terughoudend gebruik. Dit brengt mee dat de rechtbank terughoudend moet toetsen. Verweerder heeft geen aanleiding hoeven zien om eiser een dergelijke vergunning te verlenen. Eiser heeft in dit kader gewezen op de lange duur van zijn asielprocedure. Deze is echter slechts ten dele te wijten aan zorgvuldigheidsgebreken aan de zijde van verweerder. Gedurende eisers asielprocedure zijn er een besluitmoratorium en meerdere gerechtelijke procedures geweest. Verweerder heeft dat geen schrijnende omstandigheden hoeven vinden zoals in dit kader bedoeld. Daarnaast heeft eiser gewezen op zijn PTSS-klachten. Ook dat heeft verweerder geen schrijnende omstandigheden hoeven vinden zoals in dit kader bedoeld. Daarbij speelt een rol dat deze klachten niet door gebeurtenissen in Nederland zijn ontstaan, en dat eiser volgens het BMA ondanks deze klachten kan reizen en door uitzetting niet in een medische noodsituatie binnen een termijn van drie tot zes maanden terechtkomt.
13. De conclusie is dat het beroep ongegrond moet worden verklaard. Dit betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Het besluit van 28 januari 2025 blijft in stand.
14. Om die reden bestaat er geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan op 22 april 2026 door mr. B.F.Th. de Roos, rechter, in aanwezigheid van mr. A.S. Hamans, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
Deze uitspraak is bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.