ECLI:NL:RBDHA:2026:9812

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
2 april 2026
Publicatiedatum
23 april 2026
Zaaknummer
NL26.287 en NL26.288
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 EVRMArt. 30a Vreemdelingenwet 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid beroep tegen afwijzing asielaanvraag wegens veilig derde land India

Eiser, een Afghaanse nationaliteit dragende persoon, diende op 11 november 2023 een asielaanvraag in. De minister van Asiel en Migratie verklaarde deze aanvraag op 4 december 2025 niet-ontvankelijk omdat India als veilig derde land wordt beschouwd en eiser daar een band mee heeft. Eiser betwistte dit en stelde dat hij niet veilig is in India vanwege zijn biseksualiteit en de afkeuring van zijn huwelijk door zijn Indiase familie.

De rechtbank oordeelde dat het beroep te laat was ingediend, namelijk op 5 januari 2026 in plaats van uiterlijk 11 december 2025, zonder verschoonbare reden. De rechtbank onderzocht of bijzondere omstandigheden (Bahaddar-omstandigheden) aanwezig waren die een uitzondering op de termijn konden rechtvaardigen, maar concludeerde dat deze ontbraken.

De rechtbank vond dat India een veilig derde land is en dat er geen onmiskenbare schending van artikel 3 EVRM Pro zou plaatsvinden bij uitzetting. Het nieuwe asielmotief over biseksualiteit werd te laat ingebracht en kon niet adequaat worden beoordeeld binnen deze procedure. Het beroep werd daarom niet-ontvankelijk verklaard en het verzoek om een voorlopige voorziening werd afgewezen.

Uitkomst: Het beroep tegen de niet-ontvankelijkverklaring van de asielaanvraag wordt niet-ontvankelijk verklaard en het verzoek om een voorlopige voorziening wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummers: NL26.287 (beroep) en NL26.288 (voorlopige voorziening)
uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen

[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser/verzoeker (hierna: eiser)

(gemachtigde: mr. M.M. Volwerk),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. F. in den Bosch).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag en beoordeelt de voorzieningenrechter zijn verzoek om een voorlopige voorziening.
1.1.
Eiser heeft op 11 november 2023 een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Verweerder heeft met het bestreden besluit van 4 december 2025 deze aanvraag in de verlengde procedure niet-ontvankelijk verklaard. [1]
1.2.
Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening op 24 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, zijn gemachtigde, Y. Attayee als tolk en de gemachtigde van verweerder.

Beoordeling door de rechtbank

Waar gaat deze zaak over?
Asielrelaas
2. Eiser heeft de Afghaanse nationaliteit en is geboren op [geboortedatum] 1988. Eiser heeft verklaard dat hij in Afghanistan voor een bedrijf werkte waar Europese autoriteiten bij betrokken waren. Eiser is in 2017 gevraagd om een pakketje de campus van zijn werk op te smokkelen. Eiser is daarop gevlucht naar India. Hij heeft in India gewerkt op de Afghaanse ambassade. Na de overname van de Taliban, is eiser zijn baan kwijtgeraakt. Hij vreest bij terugkeer naar Afghanistan voor de Taliban vanwege de bedreiging in 2017 en zijn werk voor de ambassade. Eisers echtgenote is Indiase en bekeerd tot de islam. Eiser heeft verklaard dat het voor hem niet veilig is in India, omdat huwelijken met islamitische mannen worden afgekeurd. De familie van zijn vrouw heeft al het contact verbroken.
Het bestreden besluit
2.1.
Verweerder heeft de asielaanvraag niet-ontvankelijk verklaard omdat hij vindt dat India voor eiser als veilig derde land kan worden beschouwd. Eiser heeft allereerst een band met India. Ook is het volgens verweerder aannemelijk dat eiser opnieuw tot India zal worden toegelaten. Bovendien is niet gebleken dat India voor eiser niet veilig is. Eiser dient onmiddellijk te vertrekken naar India en ook is een inreisverbod voor de duur van twee jaren aan eiser opgelegd.
Wat vindt eiser in beroep?
3. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit en voert – kort samengevat – het volgende aan. Eiser voert in de beroepsgronden van 5 januari 2026 aan dat verweerder onvoldoende heeft onderzocht of de banden met India voldoende sterk zijn om als veilig derde land te kunnen worden tegengeworpen. Verweerder heeft evenmin betrokken dat eiser heeft verklaard dat hij heeft geprobeerd om een langdurig visum te verkrijgen, maar dat dit niet is verstrekt. In de aanvullende gronden van 9 januari 2026 stelt eiser dat hij biseksueel is en daarom niet kan terugkeren naar India.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
Ontvankelijkheid van het beroep
4. De rechtbank ziet zich ambtshalve voor de vraag gesteld of het beroep van eiser ontvankelijk is. Het bestreden besluit is van 4 december 2025. Vanaf dat moment had eiser één week de tijd om beroep in te stellen. Dat betekent dat eiser zijn beroepschrift uiterlijk op 11 december 2025 had moeten indienen. Eiser heeft zijn beroepschrift op 5 januari 2026 ingediend. Dat is te laat. De gemachtigde van eiser heeft hiervoor geen verschoonbare verklaring gegeven. Dit betekent dat het beroep te laat is ingediend, zodat het beroep in beginsel niet-ontvankelijk moet worden verklaard.
Bahaddar-exceptie
5. Voordat de rechtbank een beroep niet-ontvankelijk verklaart, moet zij beoordelen of er reden is om aan een niet-ontvankelijkverklaring voorbij te gaan. Dat is volgens vaste rechtspraak van de hoogste bestuursrechter [2] het geval als zich bijzondere, op de individuele zaak betrekken hebbende feiten of omstandigheden voordoen, als bedoeld in het arrest Bahaddar. [3] Dergelijke bijzondere feiten of omstandigheden doen zich voor, als hetgeen de vreemdeling heeft aangevoerd en overgelegd onmiskenbaar tot het oordeel leidt dat verweerder bij uitzetting van die vreemdeling het refoulementverbod, neergelegd in artikel 3 van Pro het EVRM, zou schenden. De beoordeling of er zich ‘Bahaddar-omstandigheden’ voordoen, moet worden verricht in het licht van wat een vreemdeling heeft aangevoerd en overgelegd, het standpunt van verweerder daarover en wat algemeen bekend is over het land van herkomst.
5.1. Naar het oordeel van de rechtbank doen zich geen ‘Bahaddar-omstandigheden’ voor. Hiertoe is het volgende van belang. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij terugkeer naar India doelwit zal worden van geweld, omdat hij moslim is. Verweerder heeft er in dit kader op gewezen dat eiser via sociale media heeft vernomen dat hindoes moslimjongens vermoorden die met hindoe meisjes zijn getrouwd, maar dat hij er geen concrete aanwijzingen voor heeft dat dit met hem zal gebeuren. Verder heeft verweerder erop gewezen dat uit informatie van het Australische ministerie van Buitenlandse Zaken volgt dat moslims in India over het algemeen dezelfde toegang hebben tot diensten van de overheid als andere inwoners van India en dat er een laag risico bestaat op discriminatie door officiële instanties. Ook komt lokaal willekeurig geweld voor, maar wordt het merendeel van de moslims in India hier geen slachtoffer van. [4] De rechtbank is van oordeel dat het standpunt van verweerder niet evident onjuist is en er geen sprake is van een onmiskenbare schending van artikel 3 van Pro het EVRM.
5.2.
In het door eiser in beroep naar voren gebrachte asielmotief wordt ook geen Bahaddar-omstandigheid gezien. De rechtbank stelt vast dat eiser pas in het aanvullende beroepschrift van 9 januari 2026 naar voren heeft gebracht dat hij biseksueel is. Uit vaste jurisprudentie van de hoogste bestuursrechter [5] hoeft een nieuw asielmotief enkel betrokken te worden als dat naar behoren in beroep onderzocht kan worden. De rechtbank is van oordeel dat het beoordelen van het in beroep ingebrachte asielmotief in deze procedure niet mogelijk is zonder dat dit ontoelaatbare vertraging voor de afdoening van de zaak tot gevolg heeft. Hierbij is van belang dat het motief weliswaar concreet is, maar dat een geloofwaardigheidsbeoordeling daarvan niet mogelijk is zonder een uitgebreid en specialistisch gehoor te houden met eiser, waarin hij dit motief nader kan en zal moeten onderbouwen. Gelet op de tijd en zorgvuldigheid die gemoeid is met een dergelijk onderzoek, kan van verweerder niet zonder meer worden verlangd dit binnen deze procedure te beoordelen. Daarbij betrekt de rechtbank eveneens dat het gaat om een achtergehouden asielmotief. Dat eiser heeft verklaard dat hij uit schaamte hier niet eerder over durfde te verklaren, maakt – wat hier verder ook van zij – niet dat dit procedureel niet meer voor zijn rekening en risico komt. Naar het oordeel van de rechtbank is het daarom niet onevenredig bezwarend voor eiser om een nieuwe asielaanvraag in te dienen waarin dit nieuwe motief zal moeten worden beoordeeld.
5.3.
Verder heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat India zich schuldig maakt aan refoulement. Eiser heeft aangevoerd dat hij het risico loopt om door India te worden teruggestuurd naar Afghanistan, omdat hij op grond van de Citizens act enkel in aanmerking komt voor kortdurende visa. Naar het oordeel van de rechtbank leidt deze verklaring niet onmiskenbaar tot het oordeel dat verweerder bij uitzetting van eiser naar India het refoulementverbod, neergelegd in artikel 3 van Pro het EVRM, zou schenden. De rechtbank acht daarbij van belang dat eiser gedurende zijn lange verblijf in India nimmer is uitgezet naar Afghanistan. Ook heeft eiser niet anderszins onderbouwd dat hij een dergelijk risico loopt.
6. De rechtbank is dan ook van oordeel dat eiser geen feiten of omstandigheden heeft aangevoerd die onmiskenbaar leiden tot het oordeel dat uitzetting van eiser naar India een schending zou opleveren van artikel 3 van Pro het EVRM.

Conclusie en gevolgen

7. Het beroep van eiser is niet-ontvankelijk. De rechtbank beoordeelt de zaak dus niet inhoudelijk.
8. Omdat op het beroep is beslist, bestaat er geen aanleiding meer voor het treffen van een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter wijst het verzoek daarom af.
9. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. D.C. Laagland, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. S.M.H. van der Velden, griffier.
De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak op het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen een week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).
2.Uitspraak van de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 22 juni 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1664.
3.Arrest van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens van 19 februari 1998, ECLI:CE:ECHR:1998:0219JUD002589494.
4.DFAT, DFAT Country Information Report India, September 2023,
5.Uitspraak van de afdeling bestuursrecht van de Raad van State van 3 juli 2019, ECLI:NL:RVS:2019:2073.