ECLI:NL:RBDHA:2026:986

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
15 januari 2026
Publicatiedatum
22 januari 2026
Zaaknummer
NL25.55546 en NL25.55548
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 26 Verordening (EU) nr. 604/2013Art. 29 Verordening (EU) nr. 604/2013
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging overdrachtstermijn Dublinprocedure wegens onderduiken van asielzoekers

Eisers, twee neven met onbekende nationaliteit, dienden asielaanvragen in Nederland in mei 2025. Nederland verzocht Bulgarije om overname op grond van de Dublinverordening, welke werd aanvaard. De asielaanvragen werden niet in behandeling genomen omdat Bulgarije verantwoordelijk werd geacht. Eisers stelden beroep in tegen de besluiten tot niet-inbehandelingneming en tegen de verlenging van de overdrachtstermijn tot 18 maanden wegens onderduiken.

De rechtbank oordeelt dat eisers de opvang op 3 november 2025 zelfstandig hebben verlaten zonder hun nieuwe verblijfplaats door te geven, waarmee zij onderduiken. De gemachtigde erkende dat eisers de hoger beroepsprocedure niet in de opvang durfden af te wachten uit vrees voor bewaring. De rechtbank stelt dat het verlengingsbesluit terecht is genomen op basis van artikel 29, tweede lid, van de Dublinverordening en dat de motivering, hoewel summier, voldoende is.

Eisers voerden aan dat de motivering onvoldoende is en dat de verlenging leidt tot rechtsonzekerheid, maar de rechtbank wijst dit af. Ook het bezwaar tegen de wijze van bekendmaking van de besluiten wordt niet gevolgd wegens onvoldoende onderbouwing. De beroepen worden ongegrond verklaard en eisers krijgen geen proceskostenvergoeding.

Uitkomst: De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond en bevestigt de verlenging van de overdrachtstermijn tot 18 maanden wegens onderduiken.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummers: NL25.55546 en NL25.55548

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaken tussen

[naam eiser 1] en [naam eiser 2] , eisers

V-nummers: [V-nummer 1] en [V-nummer 2]
(gemachtigde: mr. M.M. Polman)
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. Ch.R. Vink).

Procesverloop

Bij besluiten van 3 en 5 november 2025 (de bestreden besluiten) heeft verweerder aan eisers medegedeeld dat hij de termijn voor hun overdracht aan Bulgarije tot 18 maanden verlengt omdat zij zijn ondergedoken.
Eisers hebben tegen de bestreden besluiten beroep ingesteld.
De rechtbank heeft de beroepen op 31 december 2025 op zitting behandeld. Met voorafgaande kennisgeving zijn eisers en hun gemachtigde niet ter zitting verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

Inleiding
1. Eisers hebben een onbekende nationaliteit en zijn geboren op [geboortedatum 1] 2003 en
[geboortedatum 2] 2005. Eisers zijn neven. Zij hebben op 16 mei 2025 asielaanvragen in Nederland ingediend.
2. Uit onderzoek in EU-VIS is gebleken dat eisers in het bezit waren van een visum voor Bulgarije, geldig voor een periode in mei 2025. Nederland heeft aan Bulgarije verzocht om eisers over te nemen op grond van artikel 26, eerste lid, van Verordening (EU) nr. 604/2013 (Dublinverordening). Bulgarije heeft deze terugnameverzoeken op 3 en 9 juli 2025 aanvaard. Bij besluiten van 28 augustus 2025 heeft verweerder de asielaanvragen van eisers niet in behandeling genomen omdat Bulgarije volgens verweerder verantwoordelijk is voor de asielaanvragen. Bij uitspraak van 23 oktober 2025 (ECLI:NL:RBDHA:2025:25004) heeft deze rechtbank en zittingsplaats de tegen deze besluiten ingestelde beroepen ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 7 november 2025 (ECLI:NL:RVS:2025:5375) heeft de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) de uitspraak van 23 oktober 2025 bevestigd.
Heeft eiser procesbelang?
3. De rechtbank ziet zich als eerste voor de vraag gesteld of het beroep ontvankelijk is.
4. Het is vaste rechtspraak [1] dat als een vreemdeling die in Nederland bescherming heeft gevraagd geen contact meer onderhoudt met zijn gemachtigde over de voortgang van de procedure en de keuzes die in dit kader moeten worden gemaakt, er vanuit kan worden gegaan dat de vreemdeling geen prijs meer stelt op de door hem aanvankelijk gezochte bescherming in Nederland. Het verlengingsbesluit is een onderdeel van de besluitvorming ten aanzien van de bescherming. Daarom is de rechtbank van oordeel dat deze rechtspraak ook hier van toepassing is.
5. Verweerder heeft bij brief van 20 november 2025 schriftelijk te kennen gegeven dat eisers met onbekende bestemming zijn vertrokken. Daarbij heeft verweerder een systeemuitdraai van het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COa) overgelegd waaruit blijkt dat eisers de opvang op 3 november 2025 hebben verlaten. Verweerder heeft de rechtbank in zijn brief verzocht zich uit te laten over het procesbelang in de onderhavige zaken. Bij bericht van 21 november 2025 heeft de gemachtigde van eisers - in reactie op een bericht van de rechtbank - te kennen gegeven dat zij via Whatsapp nog steeds contact heeft met eisers. Onder deze omstandigheden is er procesbelang bij deze beroepen en zijn de beroepen ontvankelijk.
Is er sprake van onderduiken?
6. Als de overdracht niet binnen een termijn van zes maanden plaatsvindt, komt de verplichting voor de verantwoordelijke lidstaat om iemand over te nemen of terug te nemen te vervallen en gaat de verantwoordelijkheid over op de verzoekende lidstaat. Deze termijn kan worden verlengd tot maximaal 18 maanden als sprake is van onderduiken. Dit staat in artikel 29, tweede lid, van de Dublinverordening.
7. In het arrest Jawo (9 maart 2019, ECLI:C:EU:2019:218), heeft het Hof van Justitie van de Europese Unie artikel 29, tweede lid, van de Dublinverordening zo uitgelegd dat iemand onderduikt wanneer hij doelbewust ervoor zorgt dat hij buiten het bereik blijft van de nationale autoriteiten die verantwoordelijk zijn voor de uitvoering van de overdracht om deze overdracht te voorkomen. Dat is het geval wanneer die overdracht niet kan worden uitgevoerd, omdat de verzoeker de hem toegekende woonplaats heeft verlaten zonder de bevoegde nationale autoriteiten van zijn afwezigheid op de hoogte te brengen, op voorwaarde dat hij werd geïnformeerd over zijn verplichtingen (punt 70).
8. Eisers voeren aan dat de bestreden besluiten geen kenbare motivering bevatten waaruit blijkt dat de verlenging van de overdrachtstermijn gerechtvaardigd is. Een enkele verandering van de verblijfplaats zonder kwade opzet is onvoldoende om de overdrachtstermijn te verlengen. Eisers wijzen er ook op dat er hoger beroep is ingesteld tegen de rechtbankuitspraak van 23 oktober 2025. Een verlenging van de overdrachtstermijn kan volgens eisers leiden tot rechtsonzekerheid en een langere wachttijd wat in strijd kan zijn met het doel van de Dublinverordening. Dat lidstaten proberen hun verantwoordelijkheid te ontlopen door procedures te vertragen is in strijd met de Dublinverordening. De verlenging van de overdrachtstermijn op grond van artikel 29, tweede lid, van de Dublinverordening moet beperkt en goed gemotiveerd worden toegepast. Eisers verwijzen in dit kader naar een aantal arresten van het Hof van Justitie van de Europese Unie, onder meer het arrest Mengesteab van 26 juli 2017, ECLI:EU:C:2017:587.
9. De rechtbank is van oordeel dat, hoewel de motivering van de verlenging van de overdrachtsbesluiten in de bestreden besluiten summier is, dit geen aanleiding geeft om deze besluiten te vernietigen wegens een motiveringsgebrek. In de bestreden besluiten staat immers dat de overdrachtstermijn is verlengd op basis van artikel 29, tweede lid, van de Dublinverordening vanwege onderduiken. In die bepaling staat dat de termijn maximaal 18 maanden is als de betrokkene onderduikt. In de bestreden besluiten is vermeld dat eisers zijn vertrokken zonder dat ze hebben laten weten waarheen. Uit de eerder genoemde systeemuitdraai blijkt dat eisers op 3 november 2025 zelfstandig de opvang hebben verlaten. In het bericht van 21 november 2025 heeft de gemachtigde van eisers te kennen gegeven dat eisers niet in het buitenland verblijven, maar dat zij de hoger beroepsprocedure bij de Afdeling niet in de opvang durfden af te wachten vanwege het dreigende risico dat de maatregel van bewaring zou worden opgelegd. Hiermee erkent de gemachtigde dat eisers zijn ondergedoken. Dat zij geen kwade bedoelingen hadden en enkel hun verblijfplaats hebben gewijzigd, doet hier niet aan af. Zij hebben hun nieuwe adres ook niet doorgegeven. Verder is van belang dat verweerder ter zitting heeft toegelicht dat eisers tijdens een vertrekgesprek op 12 september 2025 - dus ruim voor hun feitelijke vertrek uit de opvang op 3 november 2025 - in het kader van de meewerkplicht zijn gewezen op het belang van het zich beschikbaar houden voor de Nederlandse autoriteiten. Tot slot geldt dat de Afdeling inmiddels uitspraak heeft gedaan in de zaak van eisers tegen de overdrachtsbesluiten.
10. Eisers hebben ook nog aangevoerd dat verweerder de bestreden besluiten ten onrechte aan de vorige gemachtigde, mr. E.J.M. van Ewijk, kenbaar heeft gemaakt. Voor zover eisers hiermee hebben willen betogen dat de bestreden besluiten door verweerder op onjuiste wijze bekend zijn gemaakt en deze besluiten hiermee onrechtmatig zijn, volgt de rechtbank dit niet, nu eisers dit onvoldoende hebben onderbouwd. Niet kan worden vastgesteld wanneer de huidige gemachtigde zich in de procedure heeft gesteld.

Conclusie

11. Gelet op het voorgaande zijn de beroepen ongegrond. Verweerder heeft de overdrachtstermijn in beide zaken terecht verlengd tot de maximumtermijn van 18 maanden. Eisers krijgen geen vergoeding van hun proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.C. Harting, rechter, in aanwezigheid van P. Deinum, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.

Voetnoten

1.Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 1 juli 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2662.