Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:9912

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
24 april 2026
Publicatiedatum
28 april 2026
Zaaknummer
NL25.61647
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 28 Vw 2000Art. 15 KwalificatierichtlijnArt. 8:72 lid 4 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging afwijzing asielaanvraag Syriër wegens onvoldoende motivering over geweldsniveau en humanitaire omstandigheden

Eiser, een Syrische asielzoeker van Koerdische afkomst, diende een aanvraag in voor een verblijfsvergunning asiel. De minister wees deze aanvraag af op grond van het standpunt dat in Syrië sprake is van een relatief lager niveau van willekeurig geweld en dat eiser geen reëel risico loopt op ernstige schade bij terugkeer.

De rechtbank oordeelt dat de minister zijn standpunt onvoldoende heeft gemotiveerd en onvoldoende rekening heeft gehouden met de humanitaire omstandigheden die samenhangen met het willekeurig geweld in Syrië. De rechtbank verwijst naar recente uitspraken en rapporten die een fragiele en onstabiele veiligheidssituatie in Syrië bevestigen.

Daarom wordt het bestreden besluit vernietigd en wordt de minister opgedragen binnen twaalf weken een nieuw besluit te nemen, waarbij de rechtbank de motivering en beoordeling van het geweldsniveau en de humanitaire omstandigheden nadrukkelijk meeneemt. Eiser krijgt tevens een proceskostenvergoeding toegekend.

Uitkomst: De rechtbank vernietigt de afwijzing van de asielaanvraag en beveelt de minister een nieuw besluit te nemen binnen twaalf weken.

Uitspraak

uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL25.61647
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser (gemachtigde: mr. W. Spijkstra),

en
de minister van Asiel en Migratie, de minister (gemachtigde: mr. E.M.G. Walraven).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser als bedoeld in artikel 28 van Pro de Vw 20001. Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.
2. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag niet in stand kan blijven. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

3. Eiser heeft een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Hij stelt van Syrische nationaliteit te zijn en te zijn geboren op
[geboortedatum] 2009. De minister heeft met het bestreden besluit van 9 december 2025, voor zover hier van belang, deze aanvraag afgewezen als ongegrond.
4. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De minister heeft een verweerschrift ingediend.
5. De rechtbank heeft het beroep op 16 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, M. Ziad als tolk en de gemachtigde van de minister. Namens Nidos is [naam] verschenen.
1. Vreemdelingenwet 2000.

Beoordeling door de rechtbank

Het asielrelaas
6. Eiser legt aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag. Eiser is op drie- of vierjarige leeftijd samen met zijn familie gevlucht uit Syrië vanwege de oorlog. Tot zijn vertrek naar Nederland heeft eiser in Turkije gewoond met zijn moeder, zus en broers. Eiser heeft in Turkije problemen ondervonden vanwege zijn Koerdische etniciteit. Bij terugkeer naar Syrië vreest eiser voor de oorlog en voor discriminatie vanwege zijn Koerdische etniciteit.

Het bestreden besluit

7. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister het volgende asielmotief:
- Identiteit, nationaliteit en herkomst.
De minister heeft het asielmotief geloofwaardig bevonden, maar stelt zich op het standpunt dat eiser geen vluchteling is zoals bedoeld in het Vluchtelingenverdrag. Er is namelijk geen sprake van een situatie waarin het voor eiser, als Koerd, onmogelijk is om op sociaal en maatschappelijk gebied te kunnen functioneren in Syrië. Daarnaast loopt eiser geen reëel risico op ernstige schade bij terugkeer naar Syrië. In Syrië is sprake van een relatief lager niveau van willekeurig geweld. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij, aan de hand van zijn individuele situatie en persoonlijke omstandigheden, een reëel risico loopt op ernstige schade als gevolg van willekeurig geweld. De humanitaire omstandigheden in Syrië spelen geen (doorslaggevende) rol, omdat de huidige situatie niet of slechts in beperkte mate te wijten is aan een lopend gewapend conflict, maar meer het gevolg is van de jarenlange oorlog, economische sancties en nalatigheid van de regering van Assad, die nu geen actor meer is in het conflict.
Beroepsgronden
8. Eiser voert aan, voor zover hier van belang, dat de minister zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat in Syrië sprake is van een relatief lager niveau van willekeurig geweld, als bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn.2 De veiligheidssituatie in Syrië is fragiel en diffuus. Eiser verwijst hierbij naar verschillende rapporten van de EUAA en de Deense Immigratiedienst.3 Verder stelt eiser dat alle humanitaire omstandigheden die in verband staan met het willekeurig geweld betrokken moeten worden bij de beoordeling.

Beoordeling

9. De minister heeft zijn standpunt dat voor heel Syrië sprake is van een relatief lager niveau van willekeurig geweld, ondeugdelijk gemotiveerd. De rechtbank verwijst naar haar uitspraken van 11 december 2025 (zittingsplaats Haarlem) en 23 maart 2026 (zittingsplaats
2 Richtlijn 2011/95/EU.
3 European Union Agency for Asylum, Country Guidance: Syria van 2 december 2025 en Interim Country Guidance van 20 juni 2025 en The Danish Immigration Service, Syria: Security Situation, Return and Documents, van december 2025.
Rotterdam).4 De toelichting van de minister in deze procedure en de informatie waarnaar hij heeft verwezen, leiden niet tot een ander oordeel. Uit het Algemeen ambtsbericht Syrië van januari 2026 volgt dat in Syrië nog altijd sprake is van een groot gebrek aan stabiliteit en van aanhoudende geweldsincidenten, waaronder geweld tegen burgers.5
10. Daarnaast heeft de minister ten onrechte de humanitaire omstandigheden niet, althans onvoldoende, bij de beoordeling betrokken. De rechtbank verwijst ook in dit verband naar de uitspraken van 11 december 2025 en 23 maart 2026.
11. De beroepsgrond slaagt. Wat partijen verder hebben aangevoerd, behoeft geen bespreking.

Conclusie en gevolgen

12. Het beroep van eiser is gegrond omdat het bestreden besluit in strijd is met het motiveringsbeginsel. Dit betekent dat eiser gelijk krijgt. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit.
13. De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht dat de minister een nieuw besluit moet nemen, met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank geeft de minister hiervoor twaalf weken de tijd.
14. Omdat het beroep gegrond is krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.
5 Zie p. 27 e.v. van het Algemeen ambtsbericht Syrië januari 2026.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het bestreden besluit van 9 december 2025;
  • draagt de minister op binnen twaalf weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op de aanvraag, met inachtneming van deze uitspraak;
  • veroordeelt de minister tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.J. Janssen, rechter, in aanwezigheid van mr. W.J.T. Twijnstra, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
24 april 2026

Documentcode: [Documentcode]

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.