Eiser, een Syrische nationaliteit dragende man, diende op 28 april 2022 een asielaanvraag in. Verweerder wees deze af op 27 mei 2024, stellende dat eiser geen vluchteling was en geen reëel risico liep bij terugkeer naar Syrië. Eiser stelde beroep in tegen het niet tijdig beslissen en tegen het afwijzingsbesluit. De rechtbank verklaarde het beroep tegen het niet tijdig beslissen niet-ontvankelijk, maar oordeelde dat verweerder de proceskosten moest vergoeden.
De rechtbank beoordeelde de motivering van verweerder over het geweldsniveau in Syrië, waarbij verweerder uitging van de laagste gradatie van willekeurig geweld volgens artikel 15c van de Kwalificatierichtlijn. De rechtbank stelde vast dat verweerder onvoldoende rekening had gehouden met de fragmentatie van de veiligheidssituatie, de humanitaire omstandigheden en de onzekerheid na de val van het Assad-regime. Ook ontbrak een regionale differentiatie in het beleid.
Verder concludeerde de rechtbank dat verweerder onvoldoende had gemotiveerd waarom eiser geen reëel risico liep op ernstige schade, ondanks zijn herkomst uit Homs en eerdere dienstplicht. Een nieuw asielmotief over de Alawitische afkomst van de vrouw van eiser kon niet in deze procedure worden beoordeeld vanwege onvoldoende feitelijke gegevens en tijdige indiening.
De rechtbank vernietigde het bestreden besluit en gaf verweerder de opdracht binnen 16 weken een nieuw, deugdelijk gemotiveerd besluit te nemen, waarbij alle relevante omstandigheden en het nieuwe asielmotief betrokken moeten worden. Verweerder werd veroordeeld tot betaling van proceskosten van €3.736,00.