Eiser, een Syriër die sinds 2022 in Nederland verblijft, diende een asielaanvraag in die door verweerder werd afgewezen op grond van het ontbreken van een reëel risico op ernstige schade bij terugkeer naar Syrië. De rechtbank oordeelt dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd waarom de laagste gradatie van willekeurig geweld in Syrië van toepassing is, mede gelet op de fragmentatie van de veiligheidssituatie en de ernstige humanitaire omstandigheden.
De rechtbank beoordeelde het beroep in meerdere fasen, waarbij ook het recente Algemeen Ambtsbericht Syrië 2025 en aanvullend beroepsmateriaal werden betrokken. Verweerder stelde dat het Assad-regime was gevallen en dat het geweldniveau relatief laag was, maar de rechtbank constateert dat deze beoordeling niet zorgvuldig en deugdelijk is gemotiveerd, met onvoldoende aandacht voor regionale verschillen en humanitaire crisis.
Daarnaast verwierp de rechtbank de individuele beroepsgronden van eiser over vrees voor reservistendienst en vervolging vanwege herkomst uit Homs, omdat deze niet aannemelijk waren. Het nieuwe asielmotief over de Alawitische afkomst van de vrouw van eiser kan niet in deze procedure worden beoordeeld vanwege onvoldoende feitelijke gegevens en tijdsdruk.
De rechtbank verklaart het beroep gegrond, vernietigt het bestreden besluit en beveelt verweerder binnen 16 weken een nieuw, deugdelijk gemotiveerd besluit te nemen, waarbij alle relevante actuele omstandigheden en het nieuwe asielmotief worden betrokken. Tevens veroordeelt zij verweerder tot betaling van proceskosten van €3.736,00.