Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:9980

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
24 april 2026
Publicatiedatum
28 april 2026
Zaaknummer
AWB - 24 _ 10053
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Mondelinge uitspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1 Besluit proceskosten bestuursrechtArt. 7:15 Algemene wet bestuursrechtArt. 22 Wet waardering onroerende zaken
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Taxatierapport kwalificeert niet als deskundigenverslag voor proceskostenvergoeding WOZ

Eiser maakte bezwaar tegen de WOZ-waarde van zijn onroerende zaak en diende een taxatierapport in als deskundigenverslag voor proceskostenvergoeding. Verweerder had het bezwaar gegrond verklaard, de waarde verlaagd en een beperkte vergoeding toegekend voor het rapport.

De rechtbank oordeelt dat het taxatierapport niet voldoet aan de criteria van een deskundigenverslag zoals bedoeld in het Besluit proceskosten bestuursrecht. Het rapport bevatte geen duidelijke aanwijzingen van taxatiekundige expertise en bestond voornamelijk uit computergegenereerde gegevens zonder onderbouwing of argumentatie.

Daarmee is het rapport niet meer dan een onderdeel van de rechtsbijstand waarvoor reeds een vergoeding is toegekend. Ook de motivering van verweerder voor de lage vergoeding is voldoende. Het beroep wordt daarom ongegrond verklaard en een hogere vergoeding wordt niet toegekend.

Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard omdat het taxatierapport niet kwalificeert als deskundigenverslag en geen hogere vergoeding toekomt.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG
Team belastingrecht
zaaknummer: SGR 24/10053

proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van24 april 2026 in de zaak tussen

[eiser], wonende te [woonplaats], eiser,(gemachtigde: R.W.B. van Middelaar),

en

de heffingsambtenaar van Belastingsamenwerking Gouwe-Rijnland, verweerder.

De bestreden uitspraak op bezwaar

De uitspraak van verweerder van 6 november 2024 op het bezwaar van eiser tegen na te noemen beschikking en aanslag.

Zitting

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 april 2026.
Eiser en zijn gemachtigde zijn, met bericht van verhindering, niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. [naam 1] en mr [naam 2].

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Overwegingen

1. Bij beschikking van 24 februari 2024 heeft verweerder op grond van artikel 22 van Pro de Wet waardering onroerende zaken de waarde vastgesteld van de onroerende zaak van eiser voor het kalenderjaar 2024. Met de beschikking is in één geschrift bekendgemaakt en verenigd de aan eiser opgelegde aanslag onroerendezaakbelastingen voor het jaar 2024.
2. [bedrijfsnaam 1] B.V. ([bedrijfsnaam 1]) heeft in de bezwaarfase namens eiser een taxatierapport van [bedrijfsnaam 2] ingediend (het rapport). Het rapport is ondertekend door [taxateur] onder vermelding van “Verantwoordelijk taxateur.”
3. Bij de bestreden uitspraak op bezwaar heeft verweerder het bezwaar gegrond verklaard. Verweerder heeft daarbij de waarde van de woning verlaagd en een kostenvergoeding toegekend van € 312 voor de rechtsbijstand van [bedrijfsnaam 1]. Daarnaast is voor het rapport een vergoeding van € 10,69 toegekend (1/6 uur, oftewel 10 minuten, maal
€ 53 vermeerderd met 21% btw). Vanwege uitvoeringstechnische redenen is
€ 10,90 betaald. In beroep heeft verweerder verklaard dat de waarde is verlaagd op basis van een vragenlijst ingevuld door eiser en niet op basis van het rapport.
4. In geschil is of het rapport kwalificeert als een deskundigenverslag als bedoeld in artikel 1, aanhef en onderdeel b, van het Besluit proceskosten bestuursrecht (het Bpb) en zo ja, of de toegekende vergoeding te laag is vastgesteld. Daarnaast is in het geschil of het motiveringsbeginsel is geschonden.
5. Kort gezegd stelt verweerder primair dat het rapport geen deskundigenverslag is en subsidiair dat de reeds toegekende vergoeding ruimschoots voldoende is. Verweerder betwist dat het rapport door een deskundige is opgesteld of door een deskundige is gecontroleerd. Eiser stelt dat het rapport wel als deskundigenverslag kwalificeert en dat de vergoeding te laag is vastgesteld. Eiser verzoekt de rechtbank primair om de vergoeding conform de marktomstandigheden vast te stellen op € 142,78 (2 uur x € 59 vermeerderd met 21% btw), subsidiair om de vergoeding vast te stellen op € 111,57 (0,5 uur x € 184,42 vermeerderd met 21% btw) en meer subsidiair om de vergoeding vast te stellen op € 95 (volgens eiser het laagste nog marktconforme tarief voor een niet-inpandige woningtaxatie). Beide partijen hebben hun standpunten onderbouwd met verwijzingen naar diverse jurisprudentie en stukken.
6. Op grond van artikel 7:15 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) vergoedt het bestuursorgaan op verzoek de kosten die de belanghebbende in de bezwaarfase redelijkerwijs heeft moeten maken. Hierbij geldt een dubbele redelijkheidstoets: de omvang van de kosten moet redelijk zijn en ook het maken van de kosten als zodanig. [1] In het Bpb staat welke kosten voor vergoeding in aanmerking komen. Op grond van artikel 1, aanhef en onderdeel b, van het Bpb kunnen dit de kosten zijn van een deskundige die aan een partij verslag heeft uitgebracht (deskundigenverslag). In de Awb en het Bpb wordt het begrip ‘deskundige’ niet gedefinieerd. Uit de jurisprudentie volgt dat het inherent is aan de rol en positie van de deskundige dat hij vanuit aantoonbare expertise bewijs bijbrengt in een procedure over geschilpunten die buiten het terrein van de eigen expertise van in dit geval eiser en de gemachtigde zijn gelegen. [2]
7. Naar het oordeel van de rechtbank kwalificeert het rapport niet als een deskundigenverslag als bedoeld in artikel 1, aanhef en onderdeel b, van het Bpb. In het taxatierapport staat dat dit tot stand is gekomen door een samenwerking van verschillende collega’s, dat [taxateur] de verantwoordelijke waarderingsmeester is en dat aan dit project drie nader genoemde personen hebben meegewerkt. Onduidelijk is door wie welke werkzaamheden zijn verricht, wat de rol van [taxateur] is geweest en of sprake is geweest van enige taxatiekundige expertise. Eiser heeft ook geen feiten en omstandigheden naar voren gebracht waaruit kan worden afgeleid dat [taxateur] als deskundige moet worden aangemerkt. Met het rapport – bestaande uit een verzameling computer-gegenereerde gegevens – wordt niet méér naar voren gebracht dan een globale berekening van de waarde op basis van een aantal referentiewoningen, zonder argumenten of onderbouwingen die blijk geven van typische taxatie-technische kennis. Verder verwijst het rapport naar niet nader geduide uitvoeringsinstructies. Zo staat in het rapport “Ik bepaal de waarde van de grond en bijgebouwen met behulp van de grondwaarde uitvoeringsinstructies en de bijgebouwwaarde uitvoeringsinstructies” en “Ik heb de woningen geïndexeerd volgens de indexering uitvoeringsinstructies op basis van de door het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) gepubliceerde kwartaal-indexcijfers van de 40COROP-regio’s, welke gelijk staan aan de European NUTS 3 level classificatie”. De inhoud van deze uitvoeringsinstructies is evenmin toegelicht in het verantwoordingsdocument van [bedrijfsnaam 2] waarnaar eiser heeft verwezen. Gelet op al het voorgaande wordt met het rapport dus niet enige bijzondere taxatie-technische expertise ingebracht die niet in het domein van de procesdeelnemers ligt. Daarmee overheerst het karakter van rechtsbijstand zodanig en is het rapport daarmee dusdanig verbonden, dat niet kan worden gesproken van een verslag aan een partij door een deskundige. Voor de verleende rechtsbijstand is al een vergoeding toegekend; het rapport komt niet voor een afzonderlijke (extra) vergoeding in aanmerking. Het beroep op een hogere vergoeding voor het rapport dan reeds is toegekend, terwijl het rapport helemaal niet voor vergoeding in aanmerking komt, slaagt daarom niet.
8. Ten overvloede merkt de rechtbank het volgende op: zelfs als het rapport als deskundigenverslag zou kwalificeren, dan heeft eiser met hetgeen hij heeft aangevoerd en overgelegd niet aannemelijk gemaakt dat een hogere vergoeding dan € 10,69 (feitelijk
€ 10,90) redelijk is en in verhouding staat tot de kosten gemoeid met het rapport. De proceskostenvergoeding is naar de bedoeling van de wetgever een tegemoetkoming in de werkelijke kosten. [3] Anders dan eiser meent, geldt voor de vergoeding voor een deskundigenverslag niet een ander wettelijk kader. Zoals bevestigd door de Hoge Raad, kan ingevolge artikel 7:15 van Pro de Awb en de in die bepaling vervatte dubbele redelijkheidstoets een vergoeding gebaseerd op een tijdsbesteding van 10 minuten onder omstandigheden (meer dan) redelijk zijn. [4] Gelet op wat hiervoor is overwogen (het rapport bestaat enkel uit een verzameling computer-gegenereerde gegevens), gelet op de diverse onjuistheden in het rapport waar verweerder terecht op heeft gewezen en vanwege het grote aantal taxatierapporten met [taxateur] als waarderingsmeester dat [bedrijfsnaam 1] landelijk indient (alleen al bij verweerder waren dat er circa 2.500 in 2024), kan de rechtbank niet anders dan concluderen dat aan het rapport niet meer dan 10 minuten is besteed.
9. Tot slot heeft eiser aangevoerd dat verweerder de matiging van de vergoeding voor het rapport onvoldoende heeft gemotiveerd. Dit beroep op het motiveringsbeginsel slaagt niet; verweerder heeft in de uitspraak op bezwaar de vergoeding van € 10,69 afdoende gemotiveerd.
10. Gelet op wat hiervoor is overwogen, is het beroep ongegrond verklaard.
11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Deze uitspraak is gedaan door mr. K.G. Scholten, rechter, in aanwezigheid van
mr. G.E. Brummel, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 24 april 2026.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof Den Haag (team belastingrecht).
Dat kan digitaal via www.rechtspraak.nl, daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan ook door verzending van een brief aan het gerechtshof Den Haag (belastingkamer), Postbus 20302, 2500 EH Den Haag.
Bij het instellen van het hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:
1 - bij het hogerberoepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;
2 - het hogerberoepschrift is, indien het op papier wordt ingediend, ondertekend.
Verder vermeldt u ten minste het volgende:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de datum van verzending;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;
d. de redenen waarom u het niet eens bent met de uitspraak (de gronden van het hoger beroep).

Voetnoten

1.Hoge Raad 11 juli 2025, ECLI:NL:HR:2025:1127.
2.Gerechtshof Den Haag 9 april 2025, ECLI:NL:GHDHA:2025:1003.
3.Hoge Raad 11 juli 2025, ECLI:NL:HR:2025:1127, r.o. 4.3.
4.Hoge Raad 13 juni 2025, ECLI:NL:HR:2025:661.