Uitspraak
RECHTBANK GELDERLAND
1.Ontstaan en loop van het geding
2.Feiten
Honorarium
Rechtbank Gelderland
Eiseres, de moedervennootschap van een fiscale eenheid, verkocht in 2008 de aandelen van haar dochtervennootschap die eigenaar was van onroerend goed. Voor de verkoop werd een makelaar ingeschakeld die een courtage factureerde, gebaseerd op de waarde van het onroerend goed. Verweerder (Belastingdienst) stelde dat de courtagekosten niet aftrekbaar waren als verkoopkosten, omdat niet het pand zelf maar de deelneming werd verkocht, en bracht deze kosten in mindering op de deelnemingsvrijstelling.
De rechtbank overwoog dat artikel 13, eerste lid, Wet Vpb bepaalt dat kosten ter zake van de vervreemding van een deelneming niet aftrekbaar zijn. De parlementaire geschiedenis verduidelijkt dat verkoopkosten van deelnemingen analoog aan aankoopkosten moeten worden opgevat, en alleen kosten die noodzakelijk zijn voor de verkoop en levering van de deelneming aftrekbaar zijn. De rechtbank concludeerde dat de courtagekosten in rechtstreeks verband stonden met de verkoop van de aandelen in de deelneming, die enkel bestond uit het onroerend goed.
De stelling van eiseres dat de opdracht slechts betrekking had op het onroerend goed werd verworpen, omdat de verkoop van de deelneming feitelijk aan de opdracht voldeed. Ook de bepaling in de algemene voorwaarden van de makelaarsvereniging dat de courtage afhankelijk is van de koopsom, die bij aandelenverkoop de waarde van het onroerend goed weerspiegelt, ondersteunde dit oordeel. Het beroep van eiseres werd daarom ongegrond verklaard, evenals het beroep tegen de heffingsrente, aangezien daartegen geen afzonderlijke gronden waren aangevoerd.
Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt dat de courtagekosten niet aftrekbaar zijn als verkoopkosten, maar onder de deelnemingsvrijstelling vallen.