Eiser, geboren in 1987, vroeg bijstand aan op grond van de WWB, maar zijn aanvraag werd geweigerd omdat hij aanspraak kon maken op studiefinanciering voor uit ’s Rijks kas bekostigd onderwijs. De rechtbank stelt vast dat eiser op het moment van aanvraag feitelijk niet meer kon starten met een opleiding, waardoor de uitsluitingsgrond van artikel 13, tweede lid, aanhef en onder c van de WWB niet van toepassing is.
De rechtbank weegt dat het niet relevant is dat eiser eerder had kunnen beginnen met een opleiding, aangezien het moment van daadwerkelijke start voorbij was. Ook het argument van verweerder dat eiser niet opnieuw een opleiding wilde volgen, wordt verworpen. De psychische omstandigheden en studieschuld van eiser worden meegewogen, maar de rechtbank baseert haar oordeel vooral op de feitelijke onmogelijkheid om onderwijs te volgen.
De rechtbank verklaart het beroep gegrond, vernietigt het bestreden besluit en kent aan eiser bijstand toe vanaf 11 oktober 2013. Tevens wordt verweerder veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht. De uitspraak is gedaan door rechter Okhuizen en griffier Vlaskamp op 29 januari 2015.