Uitspraak
RECHTBANK GELDERLAND
uitspraak van de meervoudige belastingkamer van 28 juli 2015
[X] , te [Z] , eiser,
de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Nijmegen, verweerder.
Procesverloop
Overwegingen
“Belastingplichtige is als lid van de Coöperatie [C] UA, Coöperatie [D] UA, Coöperatie [E] UA, Coöperatie [F] UA in de gelegenheid alle inkomsten te declareren bij de coöperatie, mede omdat hij als zelfstandig beroepsbeoefenaar valt onder het regime van artikel 3.5 van de Wet Inkomstenbelasting 2001. Dat de coöperatie een deel van de winst via de loonstaat heeft verantwoord berust op het gegeven dat de coöperatie abusievelijk om pragmatische redenen uit het verleden de Wet op de loonbelasting heeft toegepast. Vandaar dat de inhoudingsplichtige in beginsel loonbelasting afdroeg en dat belastingplichtige over dat bedrag geen voorlopige aanslag in de Inkomstenbelasting ontving.
De gehele afdracht in de beloning van de coöperatie aan de belastingplichtige behoort tot de winst uitonderneming ex artikel 3.1,lid 2 letter a van de Wet Inkomstenbelasting 2001 en vervolgens toepassing van artikel 3.8 en artikel 3.25 van de Wet Inkomstenbelasting 2001. Uiteraard behoren alle daarop aansluitende wetten ook van toepassing te zijn. Zo zijn de fiscale ondernemersfaciliteiten als geheel van toepassing.
Met ingang van 1 januari 2009 heeft de formalisatie plaatsgevonden met betrekking tot de inschrijving in het handelsregister welke voorheen voor vrije beroepsbeoefenaren niet verplicht was. Een kopie van het uittreksel in het handelsregister voegen wij bij dit schrijven.”
Beslissing
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;