Eiseres vroeg bijstand aan, maar het college weigerde deze omdat zij niet met objectief bewijs kon aantonen hoe zij in haar levensonderhoud voorzag over de periode van 27 juni 2012 tot 16 juni 2014. De rechtbank oordeelde dat het college slechts bewijs mocht verlangen over maximaal zes maanden voorafgaand aan de aanvraag. Over een langere periode mocht eiseres aannemelijk maken hoe zij in haar onderhoud voorzag.
Eiseres had diverse bewijsstukken overlegd, waaronder verklaringen van familieleden en een kinderdagverblijf, die de rechtbank aannemelijk achtte. Het college had onvoldoende gemotiveerd waarom het bewijs over twee jaar werd verlangd en kon de verklaringen niet afdoende weerleggen.
De rechtbank vernietigde het bestreden besluit en het primaire besluit en kende de bijstand toe met ingang van 16 juni 2014. Tevens veroordeelde zij het college tot vergoeding van proceskosten en griffierecht. Het oordeel bevestigt het belang van een redelijke termijn voor bewijslevering bij bijstandsaanvragen en de toepassing van de vrije bewijsleer in het bestuursrecht.