Eiser ontving bijstand als alleenstaande sinds september 2013. Verweerder trok de bijstand per 26 februari 2014 in vanwege vermeende gezamenlijke huishouding met een ander persoon, en vorderde ten onrechte verstrekte bijstand terug.
De rechtbank oordeelt dat verweerder op basis van de onderzoeksbevindingen in redelijkheid een huisbezoek mocht afleggen en dat eiser informed consent heeft gegeven. De stelling dat er sprake was van ongeoorloofde druk wordt verworpen.
Echter, de rechtbank vindt dat verweerder onvoldoende feitelijke grondslag heeft om te concluderen dat de andere persoon haar hoofdverblijf had verplaatst naar het adres van eiser. Het zwaartepunt van het persoonlijk leven was onvoldoende onderzocht, met name het ontbreken van onderzoek op het andere adres en onvoldoende toetsing van overnachtingen en zorgverplichtingen.
Daarom is niet voldaan aan het criterium van gezamenlijke huishouding en ontbreekt de bevoegdheid tot intrekking en terugvordering. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit en herroept de primaire besluiten, waardoor de bijstand onverkort moet worden voortgezet.
Daarnaast veroordeelt de rechtbank verweerder tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.