Uitspraak
RECHTBANK GELDERLAND
uitspraak van de meervoudige belastingkamer van 24 november 2015
[X] B.V., te [Z] , eiseres
de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Utrecht, verweerder.
Procesverloop
Overwegingen
€ 515.227 (€ 493.750 hoofdsom + € 21.477 rente).
- dat [X] een lening groot € 515.227,- heeft verstrekt aan [D] B.V.;
- dat [X] bereid is om met voornoemde vordering mee te gaan in het vigerende crediteurenakkoord van [D] B.V. en als zodanig een deel van haar vordering kwijt zal schelden onder de volgende voorwaarden,
(i) ten name van [B] BV de aanslag Vpb 2012 op 30 mei 2015 vastgesteld conform de aangifte, na terzake van de buitengewone last op 9 april 2015 vragen te hebben gesteld;
(ii) ten name van [C] BV de aanslag Vpb 2012 op 14 juni 2014 vastgesteld conform de aangifte;
(iii) ten name van [E] de aanslag IB/PVV 2011 op 15 september 2014 vastgesteld conform de ingediende aangifte;
(iv) ten name van [F] de aanslag IB/PVV 2011 op 15 september 2014 vastgesteld conform de aangifte, na terzake van de afwaardering op 6 maart 2014 vragen te hebben gesteld.
- De positieve/negatieve hypotheekverklaring is geen vorm van zekerheid, omdat deze volledig afhankelijk is van de betrouwbaarheid van degene die de toezegging doet.
- De lening die is verstrekt op 16 augustus 2009 is niet op 1 maart 2010 afgelost. Desondanks is de tweede hypotheek op het pand aan de [A-straat 1] te [Q] niet gevestigd, noch zijn andere invorderingsmaatregelen genomen.
- Ook op de lening van 24 november 2010 is niet afgelost. Bij het verlengen van de oude leningen in november 2010 werden geen extra zekerheden gevraagd en werd er nog steeds geen tweede hypotheek gevestigd op het pand aan de [A-straat 1] te [Q] . Dit terwijl [D] in 2010 een verlies van € 486.235 heeft geleden en het vermogen ultimo 2010 € 1.058.411 negatief is.
- Wel werd er begin 2011 een tweede hypotheek op genoemd pand gevestigd ten behoeve van de Belastingdienst.
- In de loop van 2011 werden leningen verstrekt tot een bedrag van € 360.000, terwijl [D] ultimo 2010 een negatief vermogen heeft en verliezen over de jaren 2010 en 2011 heeft geleden. Bovendien zijn de leningen verstrekt zonder schriftelijke vastlegging.
ad € 50.000 en de rente van € 21.477 als last kunnen worden genomen. Nog meer subsidiair is zij van mening dat de lening verstrekt op 26 augustus 2009 ad € 50.000 ten laste van de winst kan worden gebracht. Nog meer subsidiair stelt zij zich op het standpunt dat de aftrek die ziet op de rente ad € 21.477 ten onrechte is gecorrigeerd.
€ 8.235 is verantwoord in het jaar 2011 en dit bedrag ten onrechte op de vordering is bijgeschreven. Het voorgaande brengt mee dat er sprake is van een fout, waarop de foutenleer van toepassing is. Dit leidt er vervolgens toe dat herstel in beginsel in het oudste nog openstaande jaar dient plaats te vinden. Niet in geschil is dat dit in dit geval het jaar 2012 is.
“(…)
en verblijfskosten worden overeenkomstig haar verzoek vastgesteld op € 31. Eiseres verzoekt voorts om verletkosten voor een bedrag van € 450 (3 uur x € 150) voor het bijwonen van de zitting. De rechtbank zal deze kosten evenwel maximeren op het in het Bpb gestelde tarief van € 81 per uur, zodat de verletkosten worden vastgesteld op € 243 (3 x € 81).
Beslissing
berekend naar een belastbaar bedrag van nihil;
bezwaar;
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;