Uitspraak
RECHTBANK GELDERLAND
uitspraak van de meervoudige belastingkamer van 24 december 2015
[X] B.V., te [Z] , eiseres,
de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Utrecht, verweerder.
Procesverloop
Overwegingen
hierbij nader overeenkomen:
Gesprek 21 november 2012
niet overgelegd.(…)”
- In de leveringsakte is vermeld dat sprake is van een onvoorwaardelijke verkoop.
- Op dezelfde datum is tussen eiseres en [E] een akte “recht van wederinkoop” opgesteld en ondertekend, waaruit blijkt dat sprake was van een voorwaardelijke verkoop. Op grond daarvan had [E] gedurende vijf jaar de bevoegdheid de koopovereenkomst te ontbinden.
- Op dezelfde datum is tussen eiseres en [E] een akte “aanvulling recht van wederinkoop” opgesteld en ondertekend, waaruit blijkt dat - in afwijking van de akte “recht van wederinkoop” - het initiatief voor een eventuele ontbinding bij eiseres lag en waarin is overeengekomen dat [E] na terugkoop de onroerende zaken gelijktijdig opnieuw voor hetzelfde bedrag aan [D] zal verkopen.
- De akte “recht van wederinkoop” is bij de Belastingdienst ter registratie aangeboden, de akte “aanvulling recht van wederinkoop” niet.
- [A] heeft in persoon de aktes getekend.
- [A] heeft vaker vastgoedtransacties uitgevoerd en is bekend met het feit dat op grond van de wet bij een verkrijging binnen zes maanden na een vorige verkrijging de waarde waarover de belasting wordt berekend wordt verminderd met het bedrag waarover ter zake van de vorige verkrijging overdrachtsbelasting verschuldigd was.
- [A] heeft bevestigd dat de reden voor het bedingen van de omschreven voorwaarde is gelegen in het feit dat eiseres voornemens was de onroerende zaken door te verkopen, maar vreesde dit niet binnen zes maanden na de aankoop te kunnen bewerkstelligen, in welk geval bij de verkoop opnieuw overdrachtsbelasting verschuldigd zou zijn.
- [A] heeft de notaris gevraagd of hiervoor een oplossing mogelijk was.
- Eiseres heeft op 12 november 2008 een koopovereenkomst met Stichting [F] gesloten voor een bedrag van € 1.500.000.
- De teruglevering aan [E] op 31 maart 2009 heeft plaatsgevonden tegen vergoeding van de koopsom van € 1.200.000.
- Bij de aangifte van 15 januari 2010 heeft de notaris wel de akte “recht van wederinkoop” overgelegd, maar geen melding gemaakt van de akte “aanvulling recht van wederinkoop”. Deze is ook niet overgelegd.
- In het telefoongesprek met de inspecteur, naar aanleiding van de aangifte van 15 januari 2010, heeft [A] verklaard dat de (of ten minste: een) reden voor de ontbindende voorwaarde in de akte “recht van wederinkoop” was gelegen in het feit dat [E] de vrijheid wilde houden om in de toekomst nog gebruik te kunnen maken van de onroerende zaak en deze terug te kopen.
- [E] heeft verklaard dat hij in ieder geval niet van plan was om het onroerend goed terug te kopen.
Beslissing
- verklaart het beroep voor zover gericht tegen de boete ongegrond;
- verklaart het beroep voor zover gericht tegen de heffingsrente gegrond;
- vernietigt in zoverre de uitspraak op bezwaar;
- vermindert de beschikking heffingsrente tot € 5.705;
- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde uitspraak op bezwaar;
- gelast dat verweerder het door eiseres betaalde griffierecht van € 331 vergoedt.
Rechtsmiddel
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;