Op 4 december 2017 zijn twee bedrijven veroordeeld voor strafbare feiten met betrekking tot het onjuist afvoeren van afvalstoffen en valsheid in geschrift. De rechtbank Gelderland behandelde op 17 oktober 2018 een vordering van het Openbaar Ministerie tot ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel van een van deze bedrijven.
De rechtbank stelde het voordeel vast op €155.525,78, gebaseerd op de inkomsten uit afvalleveringen tussen 1 juli 2013 en 25 juni 2014, verminderd met toegestane kosten die in directe relatie staan tot het delict. De verdediging voerde bezwaren aan over de berekening en de toepassing van euralcodes, maar deze werden door de rechtbank verworpen omdat ze niet relevant zijn voor de vaststelling van het bedrag.
De rechtbank wees verzoeken om aanhouding van de procedure af, onder meer omdat de aangevoerde onjuistheden in factuurbedragen niet konden worden bevestigd en omdat stukken over een omgevingsvergunning die na de strafrechtelijke periode zijn afgegeven niet relevant zijn voor de ontnemingsvordering.
De rechtbank concludeerde dat ook transacties die niet expliciet in het strafvonnis zijn beoordeeld relevant zijn voor de ontnemingsvordering, omdat er voldoende aanwijzingen zijn dat meer strafbare feiten zijn gepleegd. Veroordeelde werd verplicht het vastgestelde bedrag aan de Staat te betalen. De beslissing is gebaseerd op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.