Eiseres diende haar aangifte inkomstenbelasting 2016 op 15 september 2017 in, na de gestelde termijn. Verweerder legde een verzuimboete van €369 op wegens te late aangifte. Eiseres betwistte de ontvangst van uitnodiging, herinnering en aanmaning en voerde aan dat namens haar uitstel was aangevraagd onder de Beconregeling.
De rechtbank oordeelde dat verweerder voldoende aannemelijk had gemaakt dat de uitnodiging en aanmaning naar het juiste adres waren verzonden, mede gelet op de organisatie van de verzending en het ontbreken van een verklaring van eiseres zelf. Het uitstelverzoek was niet ontvangen en de rechtbank plaatste het risico hiervan bij eiseres.
De boete werd vastgesteld conform artikel 67a AWR en het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst, en niet gematigd ondanks de behandelingstermijn van het bezwaar. Het beroep werd ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.