ECLI:NL:HR:2007:BA1263

Hoge Raad

Datum uitspraak
23 maart 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
42123
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • L. Monné
  • C.J.J. van Maanen
  • C. Schaap
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 9, lid 3, AWRArt. 67a, lid 1, AWR
Verwijzingen
4 uitgaand · 6 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging hofuitspraak inzake boetebeschikking niet-tijdige aangifte inkomstenbelasting

Belanghebbende kreeg voor het jaar 2000 een aanslag inkomstenbelasting en een boete wegens niet-tijdige aangifte opgelegd. Na bezwaar handhaafde de inspecteur deze besluiten. Het hof verklaarde het beroep gegrond, verminderde de aanslag en de boete, maar liet de stelling van belanghebbende dat hij geen aanmaning had ontvangen onbehandeld.

De Hoge Raad oordeelt dat het hof onjuiste rechtsopvatting hanteerde door de ontvangst van de aanmaning niet te onderzoeken. Voor oplegging van de verzuimboete is immers vereist dat de aanmaning de belastingplichtige heeft bereikt, tenzij het niet bereiken aan hem kan worden toegerekend.

Daarom vernietigt de Hoge Raad het hofarrest voor zover het de boetebeschikking betreft en verwijst de zaak naar het gerechtshof te 's-Gravenhage voor nader onderzoek en beslissing met inachtneming van dit arrest. Tevens wordt belanghebbende het griffierecht vergoed.

Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het hofarrest over de boetebeschikking en verwijst de zaak voor nader onderzoek naar het gerechtshof te 's-Gravenhage.

Uitspraak

Nr. 42.123
23 maart 2007
RS
gewezen op het beroep in cassatie van X te Z tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Amsterdam van 23 maart 2005, nr. 03/04714, betreffende na te melden aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen en na te melden boetebeschikking.
1. Aanslag, beschikking, bezwaar en geding voor het Hof
Aan belanghebbende is voor het jaar 2000 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd naar een belastbaar inkomen van € 17.416, alsmede een boete van € 226 wegens niet-tijdige aangifte. De aanslag en boetebeschikking zijn, na daartegen gemaakt bezwaar, bij in één geschrift vervatte uitspraken van de Inspecteur gehandhaafd.
Belanghebbende is tegen die uitspraken in beroep gekomen bij het Hof.
Het Hof heeft het beroep gegrond verklaard, de uitspraken van de Inspecteur vernietigd, de aanslag verminderd tot een aanslag naar een belastbaar inkomen van € 17.132 en de boete verminderd tot een bedrag van € 113. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2. Geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.
3. Beoordeling van de klachten
3.1. 's Hofs oordelen omtrent de op de arbeidsinkomsten drukkende aftrekbare kosten geven geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en zijn voor het overige feitelijk en niet onbegrijpelijk, zodat de daartegen gerichte klachten niet tot cassatie kunnen leiden.
3.2. Met betrekking tot de boete heeft het Hof geoordeeld dat sprake is van een verzuim in de zin van artikel 67a, lid 1, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR), en daartoe onder meer overwogen dat belanghebbende ter zitting voor het Hof heeft verklaard dat hij de aangifte niet tijdig heeft gedaan. In die overweging ligt het oordeel besloten dat het voor de beantwoording van de vraag of belanghebbende de in artikel 67a AWR geregelde verzuimboete heeft belopen niet relevant is of belanghebbende een aanmaning heeft bereikt, aangezien het Hof de door belanghebbende zowel in zijn motivering van het beroepschrift voor het Hof als ter zitting voor het Hof ingenomen stelling dat hij geen aanmaning heeft ontvangen onbehandeld heeft gelaten. Dat oordeel getuigt echter van een onjuiste rechtsopvatting. Voor oplegging van de verzuimboete van artikel 67a AWR is geen plaats indien de aanmaning niet op het adres van de belastingplichtige is ontvangen of aangeboden, en de aanmaning de belastingplichtige ook anderszins niet heeft bereikt. Dit is slechts anders indien zulks het gevolg is van aan de belastingplichtige toe te rekenen omstandigheden (vgl. HR 15 december 2006, 41882, V-N 2006/65.5). Het Hof had de stelling van belanghebbende dan ook niet onbehandeld mogen laten.
Derhalve slaagt de hierop gerichte klacht. 's Hofs uitspraak kan niet in stand blijven. Verwijzing moet volgen voor nader onderzoek van evenbedoelde stelling van belanghebbende (op de voet van eerdergenoemd arrest).
4. Proceskosten
De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.
5. Beslissing
De Hoge Raad:
verklaart het beroep gegrond,
vernietigt de uitspraak van het Hof, doch enkel voor wat betreft de beslissing omtrent de boetebeschikking,
verwijst het geding naar het Gerechtshof te 's-Gravenhage ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van dit arrest, en
gelast dat de Staat aan belanghebbende vergoedt het door deze ter zake van de behandeling van het beroep in cassatie verschuldigd geworden griffierecht ten bedrage van € 103.
Dit arrest is gewezen door de raadsheer L. Monné als voorzitter, en de raadsheren C.J.J. van Maanen en C. Schaap, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier A.I. Boussak-Leeksma, en in het openbaar uitgesproken op 23 maart 2007.