Eiseres heeft BPM betaald voor twee gebruikte auto’s en bezwaar gemaakt tegen de hoogte van de BPM. De rechtbank onderzoekt of de hoorplicht is geschonden en of de voorafgaande BPM-voldoening in strijd is met het Unierecht.
De rechtbank stelt vast dat verweerder voldoende heeft gedaan om eiseres te horen. Hoewel een woordenwisseling ontstond tijdens het geplande hoorgesprek, wordt aangenomen dat verweerder de hoorplicht niet heeft geschonden, mede omdat de gemachtigde ervoor koos de tijd te gebruiken om medewerkers van de Belastingdienst te beschimpen.
Inhoudelijk oordeelt de rechtbank dat het vereiste van BPM-voldoening voorafgaand aan registratie niet in strijd is met het Unierecht. De regeling houdt rekening met een termijn van vijf werkdagen voor registratie en biedt een leeftijdskorting bij te late registratie. Eiseres heeft onvoldoende onderbouwd dat te veel BPM is geheven.
Verder oordeelt de rechtbank dat het griffierecht geen onoverkomelijk obstakel vormt voor toegang tot de rechter, mede vanwege de ontheffingsmogelijkheden en het feit dat het griffierecht is betaald. De beroepen worden daarom ongegrond verklaard.