In deze zaak betwist een huurder van een sociale huurwoning de niet-ontvankelijkverklaring van zijn bezwaar tegen de WOZ-waarde van zijn woning. De heffingsambtenaar stelde dat de huurder geen procesbelang had omdat een verlaging van de WOZ-waarde geen invloed zou hebben op de huurprijs, die ver onder de liberalisatiegrens ligt.
De rechtbank stelt dat de heffingsambtenaar ten onrechte artikel 28, lid 1, Wet WOZ heeft toegepast en dat de huurder als belanghebbende procesbelang heeft omdat hij een WOZ-beschikking op zijn naam heeft ontvangen. De rechtbank onderschrijft een ruime uitleg van het procesbelang, zoals ook door het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden is gehanteerd, om te voorkomen dat toegang tot de rechter afhankelijk wordt van de slaagkans van de materiële gronden.
Hoewel de rechtbank erkent dat deze ruime uitleg risico's met zich meebrengt, zoals een mogelijke aanzuigende werking van no cure no pay-gemachtigden, weegt dit niet op tegen het belang van een ruime toegang tot de rechter. Daarom verklaart de rechtbank het beroep gegrond, vernietigt de niet-ontvankelijkverklaring en verwijst de zaak terug naar de heffingsambtenaar voor een nieuwe beslissing op bezwaar.
Daarnaast veroordeelt de rechtbank de heffingsambtenaar tot vergoeding van de proceskosten en het betaalde griffierecht aan de huurder.