Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM - LEEUWARDEN
16 juli 2019
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
De heffingsambtenaar stelde de WOZ-waarde van een sociale huurwoning vast op €220.000 per 1 januari 2016. De huurder, die de woning bewoonde, maakte bezwaar tegen deze vaststelling en stelde een lagere waarde voor. De rechtbank verklaarde het bezwaar niet-ontvankelijk wegens gebrek aan belang en wees het beroep af. In hoger beroep stelde de huurder dat hij wel degelijk belang had bij een lagere WOZ-waarde omdat deze invloed heeft op de maximale huurprijs.
Het hof oordeelde dat een huurder die een WOZ-beschikking ontvangt geacht wordt belang te hebben bij een andere waardevaststelling, mede gelet op recente jurisprudentie. De rechtbank had ten onrechte het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard. Vervolgens werd de objectafbakening van het perceel en de woning onderzocht. Het hof stelde vast dat de heffingsambtenaar een onjuiste afbakening had toegepast door een achterom/brandgang van 45 m² mee te rekenen die ook door buren wordt gebruikt.
De waarde van de woning werd door partijen verschillend ingeschat, mede door verschillen in gebruiksoppervlakte en de invloed van bijgebouwen. Het hof vond dat de heffingsambtenaar onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat de vastgestelde waarde niet te hoog was. Ook de door belanghebbenden verdedigde lagere waarde werd niet volledig onderbouwd. Gelet op alle omstandigheden stelde het hof de waarde vast op €200.000. Het hoger beroep werd gegrond verklaard, de uitspraak van de rechtbank en het bezwaar vernietigd, en de heffingsambtenaar werd veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.
Uitkomst: Het hof verklaart het hoger beroep gegrond, vernietigt de uitspraak van de rechtbank en de uitspraak op bezwaar, vermindert de WOZ-waarde tot €200.000 en veroordeelt de heffingsambtenaar in proceskosten en griffierecht.