Uitspraak
RECHTBANK GELDERLAND
uitspraak van de meervoudige belastingkamer van
[X] , te [Q] , eiser
de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Utrecht, verweerder.
Procesverloop
mr. [F] .
Overwegingen
“EMPLOYEMENT AGREEMENT”
(…)
WHEREAS:
(A) Mr. [X] will be appointed as Managing Director (“statutair directeur”) of the
Company as soon as possible after 2 July 2008 by a resolution of the General Meeting of
Shareholders of the Company;
(…)
1.
Commencement and term of employment1.1 As of 1 Augustus 2008 or on such later date as agreed between the Company and Mr.
[X] , but not later than as of 1 October 2008, Mr. [X] shall be employed by the
Company in the position of Managing Director (“statutair directeur”).
(…)
3.5 Mr. [X] shall also perform for any companies affiliated with the Company, such
duties as are reasonably assigned to him by the Company from time to time.”
“ADDENDUM TO THE EMPLOYMENT CONTRACT
[bedrijf B] BV (…), hereinafter referred to as “Dutch Employer” and
hereby represented by Mr. [I] .
and
[bedrijf G] UK Ltd., (…)
and
Mr. [X] (…), hereinafter to be referred to as the ‘Employee’,
July, 7 2008 and he shall serve in the position of Chief Executieve Officer;”
“(…), hieronder kort onze belangrijkste bezwaren op de door u aangeleverde
berekeningen:
(…)
2. Zoals wij ook al in paragraaf 5, 2e alinea van onze brief van 22 april 2013 aangaven, is een
rendement van 10% voor de gewone aandeelhouders, die slechts in deze instrumenten
investeren, te laag gezien hun risicoprofiel. Het percentage dat wij in de praktijk veel
tegenkomen (ook in afspraken met de belastingdienst) is 25%;
3. In uw berekeningen is geen rekening gehouden met additioneel waardedrukkende factoren,
zoals te doen gebruikelijk in dergelijke management participaties. Dit percentage hebben wij
in onze berekeningen en gezien de voorwaarden die aan de management participatie
gekoppeld zijn, gesteld op 30%. Ook dit is een gebruikelijk percentage in afspraken met de
belastingdienst;
(…)
Teneinde de effecten inzichtelijk te maken treft u de cijfermatige aanpassingen en
uitkomsten hiervan aan in bijlage 1.
(…)
Ook indien wij de door de belastingdienst aangereikte waarderingsmethode zouden volgen,
leidt dit derhalve tot ondersteuning van [bedrijf G] ’s standpunt dat medewerkers zowel in
2007 als de jaren daarna certificaten van aandelen [bedrijf G] hebben gekocht tegen de waarde in
het economische verkeer en er derhalve geen (belaste) bevoordeling van de medewerkers
heeft plaatsgevonden in zowel 2007 als de jaren erna.”
“Partijen verschillen van mening of de prijs die door de (oud) werknemers betaald is voor de
certificaten van aandelen in [de werkgever] zakelijk is. (…)
voor het geschil, waarbij het volgende is overeengekomen:
1) Het belastbaar loonvoordeel voor de (oud) werknemers wordt afhankelijk van het jaar
waarin de certificaten van aandelen zijn toegekend als volgt bepaald:
2) De hoogte van de naheffingsaanslagen bedraagt:
betrekking heeft. (…)
(i) (…) (ii) de opgelegde naheffingsaanslagen over 2007 en 2008 herzien. (…)
(conform het in deze overeenkomst bepaalde voordeel) in het kader van verkrijging van
certificaten van aandelen in [de werkgever] op haar (oud) werknemers trachten te verhalen,
zodat brutering achterwege zal blijven.”
- artikel 16 van Pro de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) aan de oplegging van de
naheffingsaanslag in de weg staat;
- de naheffingsaanslag is opgelegd in strijd met enig beginsel van behoorlijk bestuur;
- de naheffingsaanslag is opgelegd in strijd met artikel 4:8 van Pro de Algemene wet
bestuursrecht (Awb);
- de naheffingsaanslag is opgelegd in strijd met het bepaalde in paragraaf 7 (voorheen
paragraaf 6) van het Besluit Fiscaal Bestuursrecht;
- de naheffingsaanslag is opgelegd aan de juiste inhoudingsplichtige;
- de naheffingsaanslag tot een te hoog bedrag is vastgesteld;
- de in de naheffingsaanslag opgenomen beschikking heffingsrente dient te worden
verminderd en aan eiser dient te worden overgemaakt;
- eiser recht heeft op vergoeding van proceskosten.
23 september 2005, ECLI:NL:HR:2005:AR6477). In die gevallen begaat de inspecteur een ambtelijk verzuim dat navordering verhindert.
20. Eiser stelt zich verder op het standpunt dat hij met de verwerving van de certificaten van aandelen in [bedrijf G] tegen een koopsom van € 0,10 per certificaat geen loonvoordeel heeft genoten. Toen eiser medio 2008 in dienst is gekomen bij het [bedrijf G] -concern was het een onderpresterend bedrijf. Eiser was de zesde CEO in tien jaar tijd, de aandeelhouders waren ontevreden en bankconvenanten dreigden te worden opengebroken. De onderneming verkeerde in zeer slecht weer. Ter (verdere) onderbouwing van zijn stelling dat de waarde van een certificaat medio 2008 eerder lager dan hoger was dan € 0,10 verwijst eiser naar de volgende documenten.
- Het Financial Report 2007 van [bedrijf G] vermeldt een eigen vermogen van € 654.000. Dit betekent per certificaat een waarde van € 0,01 (afgerond).
- Het Financial Report 2008 van [bedrijf G] vermeldt een negatief eigen vermogen. Op grond daarvan is de waarde per certificaat nihil.
- Het waarderingsrapport van [J] van 14 mei 2008 komt tot een waardering per certificaat van nihil per 31 december 2007.
-Het waarderingsrapport van [J] van 23 juni 2009 komt tot een waardering per certificaat van € 0,03 per 31 december 2008.
- Vanwege de management buy-out medio 2007 heeft [K] de waarde in het economische verkeer bepaald. De waardering van [K] per 1 januari 2007 leidt tot een waarde per certificaat van € 0,10.
- [L] heeft in zijn brief van 19 juni 2013 aan de Belastingdienst een berekening opgenomen van het in dit geval te belasten voordeel. Uit deze berekening volgt dat medio 2008 per certificaat (nagenoeg) geen voordeel in aanmerking is te nemen.
Overige beroepsgronden28. Eiser stelt voor het overige, dat de schending van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, het bepaalde in artikel 4:8 en Pro paragraaf 7 van het Besluit Fiscaal Bestuursrecht en de omstandigheid dat de loonheffing bij de verkeerde inhoudingsplichtige is nageheven ertoe dienen te leiden dat de naheffingsaanslag dient te worden vernietigd. Deze eventuele schendingen zien echter op eiser en hebben niet zonder meer betrekking op de andere belastingplichtigen van wie ook is nageheven. In ieder geval hebben deze belastingplichtigen geen bezwaar gemaakt en beroep ingesteld. Om die reden begrijpt de rechtbank eiser aldus dat voormelde schendingen er toe dienen te leiden dat de naheffingsaanslag dient te worden verminderd met de van hem nageheven loonheffing. Gelet hierop en gelet op het in onderdeel 27 door de rechtbank gegeven oordeel behoeven deze overige stellingen dan ook geen behandeling.
Proceskosten
Beslissing
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser ten bedrage van € 1.532;
mr. L.Y. Gramsbergen, rechters, in tegenwoordigheid van mr. L.A. Aalbersberg, griffier.
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;