Uitspraak
RECHTBANK GELDERLAND
uitspraak van de meervoudige belastingkamer van
[eiseres] B.V., te [plaats] , eiseres
de inspecteur van de Belastingdienst Douane, kantoor Arnhem, verweerder,
Procesverloop
Overwegingen
- sloptank: 974 liter (na volumecorrectie 978 liter);
- bunkertank voorzijde schip: 955 liter;
- bunkertanks achterzijde schip: 19.144 liter.
- drie monsternameformulieren met nummer [x] (bijlagen 4, 5 en 6);
- drie tank-/bunkerbonnen op naam van eiseres met datum 17 oktober 2015 (bijlage 10), 8 november 2015 (bijlage 11) en 22 november 2015 (bijlage 12), alsmede één bunkerverklaring op naam van eiseres met datum 22 november 2015 (eveneens bijlage 12);
- drie aanvragen tot monsteronderzoek (nummers [x] -40 tot en met [x] -42) met datum 3 december 2015;
- een analyserapport van het Douane Laboratorium met kenmerk [x] -40 en datum 18 december 2015 (bijlage 16, monster slobtanks);
- een analyserapport van het Douane Laboratorium met kenmerk [x] -41 en datum 23 december 2015 (bijlagen 19, monster bunkertank voorzijde);
- een analyserapport van het Douane Laboratorium met kenmerk [x] -42 en datum 23 december 2015 (bijlagen 21, monster dagtank);
- in de analyserapporten wordt onder meer het volgende vermeld:
avelgehalte
€ 1.053
,eerste lid, onderdeel b, van de WA niet langer een relevant criterium en in zoverre is het arrest van de Hoge Raad van 13 mei 2004 achterhaald. [3] Dat door eiseres herkomstbescheiden zijn overgelegd betekent naar het oordeel van de rechtbank niet dat op verweerder de verplichting komt te rusten een onderzoek te doen naar de samenstelling van de gasolie bij de leverancier van die gasolie. [4] Naar het oordeel van de rechtbank kan ook niet worden gezegd dat eiseres geen enkel verwijt treft, nu het zwavelgehalte van de gasolie te hoog is en eiseres geen actie in de richting van de leverancier heeft ondernomen. Het feit dat de schipper is vrijgesproken van het voorhanden hebben van een bepaalde hoeveelheid gasolie maakt dit naar het oordeel van de rechtbank niet anders nu het begrip ‘voorhanden hebben’ in de zin van de WA een andere betekenis heeft dan het strafrechtelijke begrip ‘voorhanden hebben’. Gelet op genoemde MvT is voor de WA immers niet (langer) relevant of eiseres al dan niet de feitelijke beschikkingsmacht had over de gasolie. Bovendien is eiseres een ander dan de schipper.
,eerste lid, onderdeel b, van de WA. Daarmee is sprake van een belastbaar feit en dus is terecht nageheven.
,eerste lid, onderdeel b, van de WA. Eiseres stelt daar tegenover dat op grond van ‘Mededeling 61’ (de mededeling) dient te worden erkend dat de herkomst van restlading niet door middel van een douanedocument, administratief geleidedocument, een vereenvoudigd geleidedocument, een factuur of een vervoersbescheid kan worden aangetoond. [8] Zij beroept zich daarnaast op de uitspraak van Gerechtshof Den Haag van 4 januari 2019. [9] Verweerder stelt daar op zijn beurt tegenover dat nu een slobtankadministratie werd bijgehouden daaraan bewijs kan worden ontleend.
Beslissing
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;