Verzoekers, exploitanten van een boerenbedrijf, verkeerden in ernstige financiële problemen na opzegging van hun krediet door de bank en boden hun schuldeisers een akkoord aan onder de Wet Homologatie Onderhands Akkoord (WHOA). Het akkoord werd door de meerderheid van de schuldeisers in twee klassen aanvaard. Een schuldeiser, [schuldeiser 3], bleek aanvankelijk buiten het akkoord te zijn gehouden, wat een mogelijke afwijzingsgrond vormde.
Na stemming heeft deze schuldeiser alsnog ingestemd met een vergelijkbare overeenkomst, waardoor materieel geen ongelijke behandeling van schuldeisers plaatsvond. De rechtbank oordeelde dat dit geen reden tot afwijzing van het homologatieverzoek gaf. Tevens werd vastgesteld dat het besluitvormingsproces zuiver en transparant was, en dat de rechtbank bevoegd was het verzoek te behandelen.
De rechtbank wees het verzoek af om het akkoord verbindend te verklaren voor de betreffende schuldeiser die niet in het akkoord was betrokken, omdat de Faillissementswet deze voorziening niet kent. Uiteindelijk werd het akkoord gehomologeerd, waarmee de schuldenlast van verzoekers gesaneerd kon worden.