Uitspraak
RECHTBANK GELDERLAND
AWB 19/7099 en AWB 19/7107
uitspraak van de meervoudige belastingkamer van
[naam eiser] , te [plaatsnaam] , eiser
de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Utrecht, verweerder.
Procesverloop
€ 563. Tevens is bij beschikking € 10.229 aan belastingrente in rekening gebracht.
€ 538.688.
11 december 2019, beroep ingesteld.
Overwegingen
1 januari 2017 tot en met 31 mei 2018 en de aangiften IB/PVV 2012 tot en met 2016 aangekondigd.
(dagtekening 20 november 2018) heeft eiser vanaf 2012 in totaal € 828.008 onrechtmatig onttrokken uit [B.V. 1] en in totaal € 537.511 onrechtmatig onttrokken uit [B.V. 2] .
Eiser heeft in een Excel bestand van 17 december 2018 aan verweerder aangegeven welke geldbedragen hij bij de opdrachtgevers heeft onttrokken, te weten:
“(…)Ad 7. Zicht op invulling schuld aan gedupeerde vennootschappen.Opgemerkt kan worden dat ondanks de handelingen in het verleden, de onderlinge verhouding tussen [naam eiser] en de gedupeerden inmiddels relatief goed kan worden genoemd. Dit kan mede worden toegeschreven aan de inspanningen die [naam eiser] na de bekendwording heeft gepleegd in het kader van het in kaart brengen van de ontstane situatie en het reconstrueren van de gebeurtenissen in betreffende periode. Neemt niet weg dat er een schuld is ontstaan van circa € 1.300.000. het is nagenoeg onmogelijk een dergelijk bedrag terug te betalen. Daar komt bij dat de Belastingdienst voorrang heeft op eventuele opbrengsten. Dit maakt het vinden van een reële oplossing voor de schulden aan benadeelde partijen al met al erg ingewikkeld. Daar komt bij dat eventuele terugbetalingen aan benadeelde partijen in beginsel aftrekbaar zijn van het belastbaar inkomen. Feitelijk zou [naam eiser] in dat kader meer gebaat zijn bij terugbetaling aan de BV’s dan aan de Belastingdienst. Als de Belastingdienst geheel voorrang krijgt in de betalingen door [naam eiser] is er sprake van een stuk ‘voorfinanciering’. (…)”
(€ 17.325 negatief) en 2013 (€ 2.499 negatief) vermeld. Deze correcties zijn niet doorgevoerd.
Geschil
Hoogte correcties
Conclusie
Beslissing
- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de in zoverre vernietigde uitspraak op de bezwaren.
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser ten bedrage van € 534;
mr. J.J. Westerbaan, rechters, in tegenwoordigheid van mr. I.A. Kranenburg, griffier.
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;