Uitspraak
RECHTBANK GELDERLAND
uitspraak van de meervoudige belastingkamer van 9 juli 2021
[eiser] , te [woonplaats] , eiser
de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Arnhem, verweerder.
Procesverloop
- de navorderingsaanslag IB/PVV 2012 verminderd en berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 51.878, de beschikking belastingrente dienovereenkomstig verminderd en de boetebeschikking verminderd tot € 3.471;
- de navorderingaanslag IB/PVV 2014 verminderd en berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 66.816, de beschikking belastingrente dienovereenkomstig verminderd en de boetebeschikking verminderd tot € 5.822;
- de navorderingsaanslagen inkomensafhankelijke bijdrage ZVW 2012 tot en met 2014 gehandhaafd.
Overwegingen
Beslissing
- verklaart de beroepen ter zake van de navorderingsaanslagen IB/PVV over 2012 en 2013, de inkomensafhankelijke bijdrage ZVW over 2012 en de naheffingsaanslag OB gegrond;
- vernietigt de desbetreffende uitspraken op bezwaar;
- verklaart het beroep over 2014 voor zover het betrekking heeft op de vergrijpboete ter zake van de navorderingsaanslag IB/PVV gegrond;
- vernietigt de desbetreffende uitspraak op bezwaar in zoverre;
- vermindert de navorderingsaanslag IB/PVV 2012 tot een navorderingaanslag berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 40.124;
- vermindert de navorderingsaanslag IB/PVV 2013 tot een navorderingsaanslag berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 56.997;
- vermindert de navorderingsaanslag inkomensafhankelijke bijdrage ZVW 2012 tot een navorderingsaanslag berekend naar een bijdrage-inkomen van € 45.248;
- vermindert de naheffingsaanslag omzetbelasting tot een bedrag van € 10.353;
- vermindert de belastingrente dienovereenkomstig;
- vermindert de boetes ter zake van de navorderingsaanslagen IB/PVV tot € 9.500;
- vermindert de boete ter zake van de naheffingsaanslag omzetbelasting tot € 2.375;
- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde uitspraken op bezwaar;
- verklaart de overige beroepen ongegrond;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 2.026;
- gelast dat verweerder het door eiser betaalde griffierecht van € 274 vergoedt.
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;