Een 32-jarige politieambtenaar uit Culemborg werd verdacht van het schenden van het ambtsgeheim en computervredebreuk door het raadplegen en delen van vertrouwelijke politie-informatie met onbevoegde derden. De officier van justitie stelde dat verdachte zonder toestemming politiesystemen had geraadpleegd en informatie had gedeeld.
Tijdens de zitting erkende verdachte het raadplegen van gegevens, maar ontkende het delen met onbevoegden. De verklaring van de aangever, essentieel voor de bewezenverklaring van schending van het ambtsgeheim, kon niet worden getoetst door het ontbreken van een effectieve ondervragingsmogelijkheid, waardoor het bewijs onvoldoende was.
Ten aanzien van computervredebreuk oordeelde de rechtbank dat verdachte op verzoek van het Team Criminele Inlichtingen informatie had opgezocht en dat er geen duidelijke instructies waren gegeven over de grenzen van dit verzoek. Hoewel verdachte ook privé-informatie had geraadpleegd, was dit beperkt en niet zonder meer wederrechtelijk volgens artikel 138ab Sr.
De rechtbank sprak verdachte daarom vrij van beide tenlastegelegde feiten wegens onvoldoende bewijs en ontbreken van wederrechtelijkheid.