ECLI:NL:RBGEL:2022:6042
Rechtbank Gelderland
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Prejudiciële vragen over vergoeding van vertragingsrente bij teruggave omzetbelasting aan gemeente
De zaak betreft een Nederlandse gemeente die teruggaven van omzetbelasting voor de jaren 2012 tot en met 2016 heeft ontvangen. De gemeente verzocht daarnaast om vergoeding van invorderingsrente vanaf het moment van voldoening van de belasting, omdat zij meent dat de teruggaven betrekking hebben op omzetbelasting die in strijd met het Unierecht is geheven. De Belastingdienst heeft dit verzoek afgewezen, stellende dat het gaat om correcties van voorbelasting en herberekeningen van het mengpercentage, waarbij geen sprake is van in strijd met het Unierecht geheven belasting.
De rechtbank heeft vastgesteld dat de teruggaven deels het gevolg zijn van vergissingen in de administratie van de gemeente, waarvoor de inspecteur geen verwijt treft, en deels voortkomen uit een herberekening van het mengpercentage als gevolg van wijzigingen in nationale administratievoorschriften (BBV). Omdat het niet buiten redelijke twijfel is of deze situaties kwalificeren als in strijd met het Unierecht geheven belasting, heeft de rechtbank prejudiciële vragen gesteld aan het Hof van Justitie.
De rechtbank verduidelijkt dat de vergoeding van vertragingsrente op grond van artikel 28c van de Invorderingswet 1990 volgt uit het Unierecht en dat de vergoeding enkelvoudig wordt berekend over de periode vanaf de dag na voldoening tot de dag voor terugbetaling. De rechtbank benadrukt het onderscheid tussen belastingrente en invorderingsrente en bespreekt relevante arresten van het Hof van Justitie, waaronder Irimie, Littlewoods Retail en Gräfendorfer Geflügel.
De rechtbank concludeert dat het niet duidelijk is of de correcties wegens vergissingen in de administratie en de herberekening van het mengpercentage als in strijd met het Unierecht geheven belasting moeten worden beschouwd en legt daarom twee prejudiciële vragen voor aan het Hof van Justitie. De procedure wordt geschorst totdat het Hof uitspraak doet.
Uitkomst: De rechtbank stelt prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie over de uitleg van het begrip 'in strijd met het Unierecht geheven belasting' en schorst de procedure.