Belanghebbende, een ondernemer die onroerende zaken verhuurt, diende een suppletie omzetbelasting in vanwege te weinig in aftrek gebrachte voorbelasting. De Belastingdienst verleende een ambtshalve teruggaaf inclusief een kleine rentevergoeding op grond van de Algemene wet inzake rijksbelastingen.
Belanghebbende vorderde vervolgens vergoeding van invorderingsrente op grond van artikel 28c van de Invorderingswet 1990, stellende dat zij onterecht niet over de teruggegeven voorbelasting kon beschikken en dat dit in strijd met het Unierecht was. De ontvanger wees dit af en verklaarde het bezwaar ongegrond.
De rechtbank oordeelde dat de teruggaaf het gevolg was van een discretionaire bevoegdheid van de inspecteur en niet van onrechtmatig geheven belasting in strijd met het Unierecht. De nationale termijnen voor het indienen van bezwaar en aangifte waren niet overschreden of verontschuldigbaar. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard.
De rechtbank zag geen aanleiding voor prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie en wees het beroep af, waarbij belanghebbende ook geen griffierecht of proceskostenvergoeding kreeg.