Eiseres, werkzaam bij de politie, werd per 1 januari 2020 geplaatst in de functie van Gespecialiseerd Medewerker B met een salaris in schaal 8, trede 10, zonder recht op OVW-periodieken. Na een uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) over het recht op OVW-periodieken in haar vorige functie, stelde eiseres dat haar inschaling onjuist was en dat zij op grond van het vertrouwensbeginsel recht had op een hogere inschaling (schaal 8, trede 14).
De rechtbank stelt vast dat verweerder erkent dat het bestreden besluit onbevoegd is genomen en dat de inschaling zonder OVW-periodieken juist was volgens de geldende systematiek. Echter, eiseres heeft aannemelijk gemaakt dat zij op basis van uitlatingen van een bevoegde HR-functionaris gerechtvaardigde verwachtingen had dat haar inschaling automatisch zou worden gecorrigeerd indien de CRvB uitspraak haar recht op OVW-periodieken bevestigde.
De rechtbank weegt het belang van eiseres, die financieel nadeel lijdt en haar functie op basis van die verwachtingen heeft aanvaard, zwaarder dan het belang van verweerder. Daarom wordt het beroep gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en het salaris van eiseres vastgesteld op schaal 8, trede 14 met ingang van 1 januari 2020. Tevens wordt verweerder veroordeeld tot vergoeding van wettelijke rente, griffierecht en proceskosten.