ECLI:NL:CRVB:2022:2061
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing beroep op financiële compensatie en vertrouwensbeginsel bij tijdelijke tewerkstelling reservist
Appellant, sinds 1990 reservist bij de krijgsmacht, was tijdelijk tewerkgesteld in een functie binnen een dienstonderdeel. Na verlenging van zijn opdracht vroeg hij een financiële compensatie in de vorm van een arbeidsmarkttoeslag met terugwerkende kracht, welke door de staatssecretaris werd afgewezen. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond omdat appellant geen toezegging of gerechtvaardigde verwachting kon aantonen.
In hoger beroep stelde appellant dat hij op basis van gesprekken en e-mailcorrespondentie mocht vertrouwen op toekenning van een arbeidsmarkttoeslag. De Raad stelde dat voor een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel vereist is dat sprake is van een toezegging of gedraging van het bevoegde bestuursorgaan waaruit een gerechtvaardigde verwachting voortvloeit.
De Raad oordeelde dat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat de staatssecretaris of diens vertegenwoordigers toezeggingen hebben gedaan. E-mailberichten toonden slechts een intentie tot compensatie zonder toezegging. Ook het tijdsverloop en het ontbreken van bezwaar tegen besluiten zonder arbeidsmarkttoeslag maakten een beroep op het vertrouwensbeginsel niet succesvol.
Verder was appellant's betoog over strijd met het rechtszekerheidsbeginsel en het verbod op willekeur onvoldoende onderbouwd. De Raad bevestigde daarom de eerdere uitspraak en wees het hoger beroep af.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de afwijzing van het verzoek om financiële compensatie wordt bevestigd.