Uitspraak
1.De inhoud van de vordering
2.De procedure
630 +
300 +
50 +
250 +
€ 1.084 -
4.De toegepaste wettelijke bepalingen
5.De beslissing
€ 14.887;
€ 1.488;
Rechtbank Gelderland
De officier van justitie vorderde ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel ter hoogte van €138.818,20, gebaseerd op prostitutie-inkomsten van meerdere vrouwen tussen 2015 en 2019. De rechtbank beperkte de berekening tot de verdiensten uit prostitutie van twee vrouwen over de periode 23 augustus 2018 tot 10 februari 2019, waarbij een deel van november 2018 buiten beschouwing werd gelaten vanwege verblijf buiten Nederland.
De berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel is gebaseerd op uitgeluisterde klantgesprekken en tarieven, met een totaal van €31.943 aan bruto opbrengsten. Aangezien de vrouwen verklaarden de helft van hun verdiensten aan veroordeelden af te staan, komt het voordeel neer op €15.971. Na aftrek van niet aantoonbare kosten van €1.084 wordt het netto voordeel vastgesteld op €14.887.
De raadsman voerde aan dat de betalingsverplichting gematigd moest worden omdat het overgrote deel van het voordeel aan medeveroordeelde toekwam. De rechtbank oordeelde dat zonder nadere aanwijzingen het voordeel gelijk verdeeld wordt, maar stelde op basis van verklaringen en dossierstukken vast dat medeveroordeelde 90% van het voordeel heeft genoten. Veroordeelde is daarom aansprakelijk voor 10%, oftewel €1.488.
De rechtbank wees de vordering toe en bepaalde tevens de maximale duur van gijzeling op 24 dagen. De beslissing is gebaseerd op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht en onderbouwd met diverse proces-verbalen en rapporten.
Uitkomst: De rechtbank stelt het wederrechtelijk verkregen voordeel vast op €14.887 en veroordeelde wordt aansprakelijk gesteld voor een betalingsverplichting van €1.488.