Uitspraak
RECHTBANK GELDERLAND
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 28 november 2022
Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: [A] , te [plaats B] .
Procesverloop
.
Overwegingen
.
Rechtbank Gelderland
Een voormalig gemeenteambtenaar kreeg op grond van een vaststellingsovereenkomst eervol ontslag per 1 november 2020. De werkgever, de gemeente Voorst, stelde dat het ontslag op eigen verzoek was en dat daardoor geen recht op WW-uitkering bestond. De werknemer ontving echter een WW-uitkering toegekend door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV). De werkgever maakte bezwaar en stelde beroep in tegen dit besluit.
De rechtbank oordeelde dat de vaststellingsovereenkomst en het ontslagbesluit niet aantonen dat de werknemer verwijtbaar werkloos is geworden. De formele ontslaggrond zegt niets over verwijtbaarheid; het gaat om de feiten en omstandigheden die tot het ontslag hebben geleid. De werkgever slaagde er niet in gerede twijfel te wekken over de rechtmatigheid van de WW-uitkering.
De rechtbank stelde vast dat het initiatief voor het ontslag niet duidelijk bij de werknemer lag en dat de werknemer geen verwijt kan worden gemaakt. De invoering van de Wet normalisatie rechtspositie ambtenaren (Wnra) veranderde niets aan het recht op WW-uitkering. Het beroep van de werkgever werd daarom ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep van de gemeente Voorst tegen de toekenning van de WW-uitkering aan de voormalig gemeenteambtenaar is ongegrond verklaard.