ECLI:NL:CRVB:2018:3468
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WW-uitkering wegens verwijtbare werkloosheid na ontslag politiefunctionaris
Appellant was sinds 1974 werkzaam bij de politie en werd ontslagen wegens ernstige plichtsverzuimen, waaronder bezit en gebruik van soft- en harddrugs, het wegmaken van sporen, ontuchtige handelingen en bezit van dierenporno. Het UWV weigerde de WW-uitkering omdat de werkloosheid verwijtbaar was.
De rechtbank Rotterdam verklaarde het beroep van appellant ongegrond en oordeelde dat de gedragingen een objectief dringende reden voor ontslag vormden en dat de korpschef voldoende voortvarend had gehandeld. Appellant stelde in hoger beroep dat de voortvarendheid ontbrak omdat de korpschef pas na maanden tot ontslag overging.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het onderscheid tussen objectieve en subjectieve dringende reden, met name de voortvarendheid van de werkgever, niet langer relevant is voor de beoordeling van verwijtbare werkloosheid. De materiële beoordeling van de dringende reden volgens artikel 7:678 BW Pro staat centraal.
Gezien de ernst van de gedragingen, de positie van appellant als politiefunctionaris en het ongewijzigde standpunt van de korpschef, concludeert de Raad dat de werkloosheid verwijtbaar is. Het hoger beroep wordt afgewezen en de weigering van de WW-uitkering bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WW-uitkering wegens verwijtbare werkloosheid na ontslag wegens ernstige plichtsverzuimen.