Verzoeker was in dienst bij een ander bedrijf en had zicht op een nieuwe arbeidsovereenkomst bij verweerster, waarbij hij aangaf dat zijn zoon ook bij verweerster werkte. Verweerster bevestigde dat dit geen probleem was en bood een arbeidsovereenkomst aan met een proeftijd van één maand. Nog vóór de ingangsdatum van de arbeidsovereenkomst werd deze door verweerster opgezegd met een beroep op het familiebeleid dat werken met eerstegraads familieleden niet is toegestaan.
De kantonrechter oordeelde dat het proeftijdontslag op zich rechtsgeldig was, omdat de wet het mogelijk maakt om tijdens de proeftijd zonder opgave van reden te ontslaan. Er was geen sprake van discriminatie of misbruik van recht. Wel was verweerster in de precontractuele fase onzorgvuldig geweest door toezeggingen te doen die later werden ingetrokken, waardoor verzoeker gerechtvaardigd mocht vertrouwen op indiensttreding.
Verzoeker had hierdoor zijn eerdere dienstverband beëindigd en leed daardoor schade. De kantonrechter kende een schadevergoeding toe van €5.000 wegens strijd met goed werkgeverschap, waarbij een hogere gevorderde schadevergoeding werd afgewezen vanwege onvoldoende onderbouwing en compensatie via WW-uitkering en proefplaatsing. Verweerster werd tevens veroordeeld in de proceskosten.