In deze bestuursrechtelijke zaak heeft eiser beroep ingesteld tegen besluiten van de minister van Infrastructuur en Waterstaat betreffende de openbaarmaking van delen van documenten 028 en 029. De rechtbank verwijst naar een eerdere tussenuitspraak waarin de minister werd verzocht een gebrek in het eerste besluit te herstellen.
De minister heeft daarop een nieuw besluit genomen waarin het eerste besluit is ingetrokken en de eerder niet-openbaar gemaakte delen alsnog openbaar zijn gemaakt. Eiser betoogde dat de brief onvolledig is en dat een kwalitatieve verplichting ontbreekt in de openbaar gemaakte documenten.
De rechtbank oordeelt dat de minister niet beschikt over het origineel van de brief en dat het ontbreken van een deel van de brief niet aan de minister kan worden verweten. Verder is uit onderzoek gebleken dat er geen kwalitatieve verplichting in een overeenkomst is vastgelegd, en eiser heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat een dergelijke verplichting bestaat.
Gezien het intrekken van het eerste besluit is het beroep daarop niet-ontvankelijk wegens vervallen procesbelang. Het beroep tegen het tweede besluit wordt ongegrond verklaard. De rechtbank bepaalt dat de minister het betaalde griffierecht aan eiser moet vergoeden, maar wijst verdere proceskostenveroordeling af.