ECLI:NL:RBGEL:2023:4605
Rechtbank Gelderland
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit vaststelling persoonsgebonden budget wegens onjuiste betalingen en gebrekkige controle
Eiser maakte bezwaar tegen het besluit van het zorgkantoor waarin het persoonsgebonden budget (PGB) over 2018 werd vastgesteld. De kern van het geschil betrof betalingen die de Sociale Verzekeringsbank (SVB) tot en met juni 2018 onverschuldigd aan de oude zorgverlener had gedaan, terwijl vanaf februari 2018 een nieuwe zorgverlener zorg verleende. Eiser had dit meerdere malen kenbaar gemaakt. De rechtbank oordeelde dat zowel het zorgkantoor als de SVB tekort waren geschoten in hun controlerende taak voorafgaand aan deze betalingen, in strijd met de wettelijke bepalingen die samenwerking en controle voorschrijven.
De rechtbank stelde vast dat het zorgkantoor het PGB onjuist had vastgesteld door de onverschuldigde betalingen aan de oude zorgverlener mee te rekenen, waardoor eiser onterecht met een vordering bleef zitten. Dit was in strijd met artikel 5.17 van de Regeling langdurige zorg (Rlz). De rechtbank vernietigde het bestreden besluit en bepaalde dat het bedrag van niet uitbetaalde zorg aan de nieuwe zorgverlener alsnog aan het PGB moest worden toegevoegd, zodat deze zorgverlener betaald kon worden.
Daarnaast werd het zorgkantoor veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten aan eiser. De uitspraak benadrukt het belang van een deugdelijke controle vooraf en de bescherming van de verzekerde tegen financiële gevolgen van fouten van het zorgkantoor en de SVB.
Uitkomst: Het bestreden besluit wordt vernietigd en het PGB wordt verhoogd met € 15.301,15 voor niet uitbetaalde zorg aan de nieuwe zorgverlener.