Uitspraak
uitspraak van de meervoudige belastingkamer van
[eiser], uit [woonplaats], belanghebbende
de inspecteur van de belastingdienst, kantoor Arnhem, de inspecteur,
Inleiding
- periode 1 januari 2012 t/m 31 december 2013 ([aanslagnummer 1]) van € 597.288 (KSB I) (ARN (19/620);
- periode 1 januari 2012 t/m 31 december 2013 ([aanslagnummer 2]) van € 752.408 (KSB II) (ARN (19/621);
- periode 1 januari 2014 t/m 30 april 2016 ([aanslagnummer 3]) van € 2.723.971 (KSB III) (ARN (19/623);
- periode 1 januari 2014 t/m 30 april 2016 ([aanslagnummer 4]) van € 5.800.199 (KSB IV) (ARN 19/626).
Feiten
Beoordeling door de rechtbank
- sprake is van misbruik van procesrecht aan de zijde van de inspecteur;
- de inspecteur alle op de zaak betrekking hebbende stukken heeft overgelegd;
- de inspecteur mag navorderen voor de IB/PVV;
- belanghebbende de vereiste aangiften IB/PVV heeft gedaan;
- sprake is van een redelijke schatting voor de (navorderings)aanslagen IB/PVV;
- de naheffingsaanslagen KSB terecht en naar juiste bedragen zijn opgelegd;
- belanghebbende recht heeft op een vergoeding voor immateriële schade wegens de lange duur van de procedure.
.Belanghebbende heeft in de periode 2012 tot en met 2016 jaarlijks tijdig zijn aangiften ingediend. Ook als de aangiften tijdig zijn ingediend, kan het nog zo zijn dat niet de vereiste aangiften zijn gedaan. Naar vaste jurisprudentie geldt dat bij inhoudelijke gebreken in een aangifte slechts dan kan worden aangenomen dat de vereiste aangifte niet is gedaan, als aan de hand van de normale regels van stelplicht en bewijslast is vastgesteld dat sprake is van een of meer gebreken die ertoe leiden dat de volgens de aangifte verschuldigde belasting verhoudingsgewijs aanzienlijk lager is dan de werkelijk verschuldigde belasting. [6] Daarnaast is vereist dat het bedrag van de belasting dat als gevolg van deze gebreken niet zou zijn geheven, op zichzelf beschouwd, aanzienlijk is. [7] Inhoudelijke gebreken in de aangifte leiden alleen tot de conclusie dat de vereiste aangifte niet is gedaan wanneer de belastingplichtige ten tijde van het doen van de aangifte wist of zich ervan bewust moest zijn dat daardoor een aanzienlijk bedrag aan verschuldigde belasting niet zou worden geheven. [8] Ook dit moet worden vastgesteld aan de hand van de normale regels van stelplicht en bewijslast.
Conclusie en gevolgen
Beslissing
- verklaart de beroepen met nummers ARN 19/610, 19/611, 19/612, 19/614 en 19/615 inzake de (navorderings)aanslagen IB/PVV 2012 tot en met 2016 ongegrond;
- verklaart de beroepen met nummers ARN 19/620, 19/621, 19/623 en 19/625 inzake de naheffingsaanslagen KSB I tot en met IV gegrond;
- vernietigt de uitspraken op bezwaar van 20 december 2018 ter zake de KSB;
- vernietigt de naheffingsaanslagen KSB I tot en met IV;
- veroordeelt de inspecteur tot het betalen van een vergoeding van immateriële schade aan belanghebbende tot een bedrag van € 1.594;
- veroordeelt de Staat tot het betalen van een vergoeding van immateriële schade aan belanghebbende tot een bedrag van € 1.406;
- veroordeelt de inspecteur in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van € 1.777,50;
- bepaalt dat de inspecteur het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 49 dient te vergoeden.