Uitspraak
uitspraak van de enkelvoudige kamer van
[eiseres] , uit [plaats] , eiseres
Inleiding
Totstandkoming van het besluit
(1 juni 2021 tot en met 31 oktober 2021) naar Turkije gaat en daarom geen zorg nodig heeft in deze periode. Met zijn besluit van 4 juni 2021 heeft het UWV aan eiseres een WW-uitkering toegekend per 1 juni 2021. Vanwege het verstrijken van de duur van het WW-recht is deze uitkering per 31 augustus 2021 beëindigd.
Beoordeling door de rechtbank
- toezicht en controle vindt plaats door de wijkcoach van de gemeente Arnhem “en de Zvw”;
- de werkzaamheden werden geëvalueerd door de wijkcoach en de Zvw-medewerker; en
- eiseres kon ter verantwoording worden geroepen over de wijze waarop de werkzaamheden werden uitgevoerd door de wijkcoach, de Zvw-medewerker en soms ook de vertegenwoordiger (haar echtgenoot).
1 juni 2022 werkloos geworden. Deze uitkering is niet toegekend. Om dit op te lossen heeft eiseres met de vertegenwoordiger van haar werkgever gesproken. Hij heeft deze kwestie bij de afdeling PGB van de SVB en de Belastingdienst aangekaart. Door de Belastingdienst is vastgesteld dat eiseres per 1 november 2020 verzekerd was voor de werknemersverzekeringen. Hiervoor heeft de Belastingdienst geconcludeerd dat er in haar verzekeringsplichtige dienstbetrekking alle drie de elementen van loon, persoonlijke arbeid en gezag aanwezig zijn/waren. Naar aanleiding van dit besluit van de Belastingdienst moest de werkgever van eiseres een correctiebrief schrijven naar de afdeling PGB van de SVB.
[persoon B] .
[persoon A] tijdens de zitting aanvullend hebben verklaard, acht de rechtbank aannemelijk dat [persoon B] en [persoon A] bevoegd waren om eiseres bindende aanwijzingen te geven met betrekking tot de door eiseres te verrichten werkzaamheden en dat zij van die bevoegdheid gebruik hebben gemaakt. Daarbij heeft de rechtbank ook laten wegen de aard van de werkzaamheden. Het ligt niet voor de hand dat huishoudelijk werk, persoonlijke verzorging en begeleiding zonder dergelijke aanwijzingen worden verricht. Er is daarom, naar het oordeel van de rechtbank, wel sprake van de vereiste gezagsverhouding voor het aannemen van een privaatrechtelijke dienstbetrekking tussen [persoon B] en eiseres.