ECLI:NL:RBGEL:2024:7162

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
16 oktober 2024
Publicatiedatum
21 oktober 2024
Zaaknummer
05/304424-23
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:3:3 SvArt. 6:3:4 SvArt. 126 lid 3 ROArt. 3 lid 1 onder b Besluit regels landelijk parket en functioneel parket
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bezwaarschrift gegrondverklaring wegens ontbreken handtekening officier van justitie bij omzetting taakstraf

De politierechter heeft veroordeelde op 11 januari 2024 een taakstraf van 120 uren opgelegd, waarvan 60 uren voorwaardelijk, met een vervangende hechtenis van 60 dagen bij niet-naleving. Op 2 oktober 2024 besloot het openbaar ministerie de taakstraf om te zetten in vervangende hechtenis. Veroordeelde diende op 10 oktober 2024 een bezwaarschrift in tegen deze omzetting.

Tijdens de zitting op 16 oktober 2024 verklaarde de officier van justitie het bezwaarschrift gegrond en erkende dat de beslissing niet duidelijk was genomen door een bevoegde functionaris. De rechtbank constateerde dat het besluit tot omzetting ontbrak aan een handtekening en dagtekening van een officier van justitie, wat wettelijk vereist is vanwege de discretionaire aard en de vrijheidsbenemende consequenties.

De rechtbank overwoog dat het ontbreken van deze essentiële elementen het besluitvormingsproces ondoorzichtig en niet controleerbaar maakt, waardoor het besluit geen rechtskracht heeft. Daarom werd het bezwaarschrift gegrond verklaard, het bevel tot omzetting opgeheven en veroordeelde opgedragen de resterende taakstraf van 60 uren binnen zes maanden te voltooien, met verrekening van reeds doorgebrachte detentiedagen.

Deze uitspraak benadrukt het belang van transparantie en rechtsgeldigheid bij beslissingen die vrijheidsbeneming tot gevolg hebben en bevestigt dat mandatering in dit kader niet is toegestaan.

Uitkomst: Het bezwaarschrift wordt gegrond verklaard en het bevel tot omzetting van de taakstraf in vervangende hechtenis wordt opgeheven.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Strafrecht
Zittingsplaats Arnhem
Parketnummer : 05/304424-23
Raadkamernummer : 24-025185
Datum : 16 oktober 2024
beslissing ex artikel 6:6:23 van Pro het Wetboek van Strafvordering naar aanleiding van het op 10 oktober 2024 ingekomen bezwaarschrift
in de zaak van

[veroordeelde] ,

geboren op [geboortedatum] 1995 te [geboorteplaats] ,
wonende te [adres] , [postcode] in [woonplaats] ,
raadsman: mr. A.W. Syrier, advocaat te Utrecht.
hierna te noemen: veroordeelde

Feiten

De politierechter heeft bij vonnis van 11 januari 2024 veroordeelde een taakstraf van 120 uren opgelegd (waarvan 60 dagen voorwaardelijk) en bevolen dat voor het geval veroordeelde de taakstraf niet (naar behoren) verricht, vervangende hechtenis van 60 dagen zal worden toegepast. Het vonnis is onherroepelijk per 26 januari 2024.
Het dossier bevat een beslissing van het openbaar ministerie van 2 oktober 2024 dat vervangende hechtenis van 60 dagen wordt toegepast

Procedure

Het bezwaarschrift is op 10 oktober 2024 op de griffie van deze rechtbank ingediend.
De rechtbank heeft op 16 oktober 2024 het bezwaar tijdens de zitting behandeld.
De rechtbank heeft veroordeelde, de raadsman en de officier van justitie op zitting gehoord.

Bezwaar

De verdediging heeft - kort samengevat - aangevoerd dat het bevel tot omzetting van de taakstraf niet is ondertekend door een officier van justitie. Het gevolg daarvan moet zijn, in lijn met andere uitspraken van rechtbanken, gegrondverklaring van het bezwaarschrift.
Subsidiair voert de verdediging aan dat veroordeelde een tweede kans dient te krijgen. Zij heeft zelf telefonisch contact gezocht met de reclassering, maar kreeg toen te horen dat er een wachtlijst was en dat het nog even kon gaan duren. Toen is veroordeelde een aantal keren in het buitenland geweest. Zij heeft geen enkele brief ontvangen van de reclassering, omdat zij stond ingeschreven op een adres waar zij niet verbleef. Het is misgegaan met het uitvoeren van de taakstraf maar veroordeelde is gemotiveerd om de taakstraf uit te voeren.

Standpunt van het openbaar ministerie

De officier van justitie heeft ter zitting geconcludeerd tot gegrondverklaring van het bezwaarschrift. De officier van justitie kan in het systeem zien dat de beslissing tot omzetting is genomen door een officier van justitie en gaat er dan ook vanuit dat dit zo is. De reclassering heeft een ander beeld van hoe het contact met veroordeelde is verlopen, maar er is voldoende ruimte om veroordeelde een tweede kans te geven.

Beoordeling

Het bezwaarschrift is tijdig ingediend en veroordeelde is ontvankelijk in het bezwaar.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken in de zaak onder bovenvermeld parketnummer, waaronder:
  • het hiervoor genoemde vonnis;
  • het rapport van Reclassering Nederland, d.d. 18 september 2024, met het advies de tenuitvoerlegging van de vervangende hechtenis te bevelen;
  • de beslissing tot toepassing van de vervangende hechtenis;
  • het bezwaar van de veroordeelde.
De hiervoor genoemde beslissing van 2 oktober 2024 tot omzetting van de taakstraf in vervangende hechtenis bevat niet een naam en handtekening van de officier van justitie die deze beslissing heeft genomen. De daarvoor bestemde ruimte is leeg. Hierdoor is niet duidelijk wie deze beslissing heeft genomen en daarvoor dus de verantwoordelijkheid draagt.
De rechtbank knoopt aan bij eerdere beslissingen van
- de rechtbank Overijssel van 7 augustus 2024, ECLI:NL:RBOVE:2024:4220,
- de rechtbank Limburg van 23 juli 2024,ECLI:NL:RBLIM:2024:4806,
- de rechtbank Gelderland van 21 augustus 2024, ECLI:NL:RBGEL:2024:5919,
en overweegt in navolging van deze uitspraken het volgende.
Artikel 126 lid 3 van Pro de Wet op de Rechterlijke Organisatie bepaalt dat een bevoegdheid van de officier van justitie of advocaat-generaal niet kan worden opgedragen aan een andere bij het parket werkzame ambtenaar indien de regeling waarop de bevoegdheid steunt of de aard van de bevoegdheid zich daartegen verzet. De rechter is van oordeel dat de in artikel 6:3:3 Sv Pro aan het openbaar ministerie toegekende bevoegdheid zich naar haar aard verzet tegen mandatering – voor zover daar al sprake van is. Het betreft immers niet alleen een bevoegdheid die vrijheidsbeneming met zich brengt, maar ook een waarbij aan het openbaar ministerie een discretionaire ruimte wordt gelaten. Dat hieraan de hand moet worden gehouden, volgt ook uit artikel 3 eerste Pro lid onder b van het “Besluit regels landelijk parket en functioneel parket, alsmede ten aanzien van mandateren bevoegdheid officier van justitie”, waarin is bepaald dat de officier van justitie de uitoefening van een bevoegdheid niet kan opdragen aan een andere bij het parket werkzame ambtenaar indien de bevoegdheid betrekking heeft op beslissingen tot vrijheidsontneming.
Nu een handtekening van een (met name te noemen) officier van justitie ontbreekt op de genomen beslissing, kan niet worden vastgesteld dat de beslissing is genomen door een daartoe bevoegde functionaris binnen het openbaar ministerie. Bovendien ontbreekt een dagtekening, waardoor ook niet kan worden gecontroleerd of de in artikel 6:3:4 Sv Pro genoemde beslissingstermijn in acht is genomen. Het ontbreken van deze essentiële elementen lijkt het gevolg te zijn van een kennelijk nieuwe, meer praktisch ingestoken werkwijze van het openbaar ministerie, waarbij ondertekening van de beslissing tot omzetting door een officier van justitie of advocaat-generaal niet meer nodig zou zijn. Daarmee wordt echter de rechter de mogelijkheid ontnomen om te controleren of de beslissing tot vrijheidsbeneming tijdig (in het geval dat ook de datering ontbreekt) is genomen door een daartoe bevoegde officier van justitie of advocaat-generaal als bedoeld in artikel 126 Wet Pro op Rechterlijke Organisatie.
Dat de officier van justitie in het systeem kan zien dat in de beslissing vermelde contact persoon inderdaad een hem bekende officier van justitie is, wil de rechtbank best aannemen maar dat doet aan het voorgaande niet af, nu dit administratieve systeem niet toegankelijk is voor derden en het besluitvormingsproces daarmee onvoldoende transparant en controleerbaar is.
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de beslissing van het openbaar ministerie om de vervangende hechtenis ten uitvoer te leggen geen rechtskracht heeft. In sommige eerdere beslissingen leidde dat tot niet-ontvankelijkheid van het klaagschrift, maar die beslissing laat dan onverlet dat de met tenuitvoerlegging belaste ambtelijke dienst gewoon zou kunnen doorgaan met de executie van de vervangende hechtenis.
Het bezwaarschrift moet derhalve gegrond worden verklaard. De rechter zal bevelen dat de vervangende hechtenis niet zal worden tenuitvoergelegd en dat veroordeelde de nog resterende uren taakstraf alsnog moet verrichten.

Beslissing

De rechtbank
  • verklaart het bezwaarschrift gegrond;
  • heft op het bevel tot omzetting van de taakstraf;
  • bepaalt dat door veroordeelde nog zestig uren werkstraf moeten worden verricht
  • bepaalt dat deze werkstraf binnen zes maanden moet worden voltooid;
  • beveelt dat, indien door de veroordeelde reeds naar aanleiding van de tenuitvoerlegging van de vervangende hechtenis tijd in detentie is doorgebracht, deze tijd geheel in mindering wordt gebracht op het nog te verrichten aantal uren werkstraf, waarbij voor iedere dag vervangende hechtenis 2 (twee) uren werkstraf in mindering dienen te worden gebracht.
Deze beslissing is gegeven door mr. F.J.H. Hovens, als rechter, in tegenwoordigheid van mr. S.F.A. Vrede, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting op 16 oktober 2024. De griffier is buiten staat deze beslissing mede te ondertekenen.