De politierechter heeft veroordeelde op 11 januari 2024 een taakstraf van 120 uren opgelegd, waarvan 60 uren voorwaardelijk, met een vervangende hechtenis van 60 dagen bij niet-naleving. Op 2 oktober 2024 besloot het openbaar ministerie de taakstraf om te zetten in vervangende hechtenis. Veroordeelde diende op 10 oktober 2024 een bezwaarschrift in tegen deze omzetting.
Tijdens de zitting op 16 oktober 2024 verklaarde de officier van justitie het bezwaarschrift gegrond en erkende dat de beslissing niet duidelijk was genomen door een bevoegde functionaris. De rechtbank constateerde dat het besluit tot omzetting ontbrak aan een handtekening en dagtekening van een officier van justitie, wat wettelijk vereist is vanwege de discretionaire aard en de vrijheidsbenemende consequenties.
De rechtbank overwoog dat het ontbreken van deze essentiële elementen het besluitvormingsproces ondoorzichtig en niet controleerbaar maakt, waardoor het besluit geen rechtskracht heeft. Daarom werd het bezwaarschrift gegrond verklaard, het bevel tot omzetting opgeheven en veroordeelde opgedragen de resterende taakstraf van 60 uren binnen zes maanden te voltooien, met verrekening van reeds doorgebrachte detentiedagen.
Deze uitspraak benadrukt het belang van transparantie en rechtsgeldigheid bij beslissingen die vrijheidsbeneming tot gevolg hebben en bevestigt dat mandatering in dit kader niet is toegestaan.